
• • I l
I«!I I
E:
r
m
•¿ I
Sí
í ii . " .. !
í
' 1 s I
mrn íM Jfr-
110
eigenlijk niet anders zijii dan het beuedengedeelte van de helling der
Vulkanen zelven ; de wederzijdsche helling vloeit in het midden tusschen
de beide kegelbergen of tot eene läge vlakte in ¿¿n, — dit heeft
plaats tusschen die vulkanen,welke verre van elkander verwijderd liggen
, — of zij formeert een zadel, een zadelvormigen tusschenrug,
en onder deze gedaante komt zlj voor tusschen twee kegels, die
elkander digt zijn genaderd. Die centrale lusschenvlahten der vulkanen
, ZOO als, bij voorbeeld, die van Kediri, Madioen en Solo,
waarvan de hoogte boven het niveau der zee siechts 197 ä 285
voet bedraagt, behooren tot de sterkst bevolkte Sawah-streken van
het gansche eiland, terwijl de tusschenzadels, welke hooger oprijzen,
naar mate de beide kegelbergen digter tot elkander zijn genaderd,
die gematigde of koele bergpassen, T , vormen, waarover van de
eene residentie of het eene landschap naar het andere gebaande wegen
loopen, wier paspnnt den reiziger voert door thee- en groentetuinen,
längs buitenplaatsen of Pasanggrahan's, in deszelfs nabljheid opgerigt.
Eijzen deze tusschenzadels en bergpassen hoog, dan duiden zij
de nabljheid der beide vulkanen aan, waar tusschen zij zijn gelegen;
verheffen zij zieh tot eene geringe hoogte, zoo mag zulks als een
bewijs worden beschouwd, dat die beide vulkanen, de oorzaak
van hun onstaan, verre van elkander zijn verwijderd. Wel is
waar, de grootere hoogte, de wijdere omvang der vulkanen moet
hierbij niet geheel en al uit het oog worden verloren, hoewel
deze bij het meerendeel der Javasche vuurbergen bijna gelijk Staat.
De meeste der zadels, die uit een strategisch oogpunt, als wegpassen
, van gewigt zijn, heb ik op deze en de andere hoogte-kaarten
van Java aangeduid. De hoogste bergpassen worden gevonden
tusschen de dubbelvulkanen, de zoogenaamde tweelingen.
Op de volgende hoogte, naar den vroeger vermelden voetmaat,
ligt de zadel tusschen den Goenoeng :
7870 -— Mandala wangi en den Gedd, geheeten Pasir-Älang.
6296 — Panggonan en den Praoe (plateau Dieng), de hoogste
gebaande weg, welke te paard kau bereden worden.
5715 — Malawar en den Wajang; over dezen zadel loopt de
weg van Pengalengan naar Tjiparai.
I I I
5000 — Tiloe en de bergen van Pengalengan.
gOOO — Télèrep en den Séndoro ; hierover loopt de weg uit het dal
der Serajoe (Wonosobo) naar Adiredjo (Kadoe).
5000 — Lawoe en zijn zuidelijk voorgebergte ; de weg van Solo over
Gondosoeli en Sei'angan naar Madioen heeft hier zijn paspunt.
4880 — Merapi en den Merbaboe; hierbeen voert de weg van
Kadoe naar Solo.
4675 — Boekit toenggoel en den Poelasari; over dezen zadel loopt
de weg van Lemhang naar Negara wangi.
4620 — Gédé en den Megaméndoeng ; de postweg van Buitenzorg
naar Tjandjoer voert hierbeen.
4400 — Merbaboe en zijn noordwestelijk voorgebergte; alhier wordt
de weg van Kadoe naar Kopeng gevonden.
4356 — Boekit toenggoel en den Tangkoeban praoe; alhier vindt
men den weg, die van Baudong naar Krawang voert over
Poentjak-Orat.
4526 — Séndoro en den Soembing; de weg van Wonosobo naar
Kadoe loopt over dezen zadel.
3700 •— Kratjak en den Gèloenggoeng ; hierbeen voert de weg van
Garoet naar Soekapoera.
3650 — Ardjoeno en den Kawi;de wegvan Malangnaar Ngantang
over den G.-Radjeg wesi overschrijdt dezen zadel.
2690 — Menglajang en den Boekit djarian; de weg van Baudong
naar Soemèdang loopt over denzelven.
2665 — Mandala wangi en den Boedjoeng; hier heeft de weg van
Bandong naar Garoet zijn paspunt.
2420 — Sida kèling en den Sangjang tj iah ; over dezen zadel loopt
de weg van Pawenang over Tjiawi naar Malembong.
2367 — Boerangrang en den Awoe ; de weg van Radja mandala
naar Baudong overschrijdt dezen zadel.
2335 — Sawal en de centraalketen ; hierover loopt de weg uit het
Tji-Tandoei-dal naar Kawali, längs den zuidelijken rand van
het meer van Pandjaloe.
1700 — Ardjoeno en den Tènggèr; de.weg van Pasoeroean naar
Malang heeft hier zijn paspunt.
I i i
Ii 1
' i i i - l
I' ! I inj
Iii;
J ' H
Íí-'Í
"i!.. J
' h
rvM'
' Ì
•"Si,