
ÌMÌ'JÌÌIÉ!.#J
I' : a
-i i.
n
- • é- 'I
, - 1
liorsto zono. 326 Nogciide gebiod.
afkomslig is. De verkieselde slammen worden voornamelijk gevonden
in de beddingen van beken , waaruit zij door de werking
van het water zijn losgespoeld. Vergelijk afdeeling, bladz.
240 enz.) Deze soort komt echter veci zeldzamer voor dan de
Colbertia obovata (Sempoer), welke even als de Adambea glabra
in de zuidelijke belft van West-Java zeer veel wordt aangetroffen.
Beide boomsoorten, en vooral de Sempoer-boom, verspreiden zieh
dikwerf builen de boschjes en groeijen afzonderlijk, hier en daar
verslrooid in de Alang-velden , welke de boschjes vaneenscheiden,
of zij verhuizen naar het zevende gebied (de boomgroepen der
Alang-velden) ; het liefst echter groeijen zij verder landwaarts in
op de drooge heuvelen, welke uit kalkachtige zandsteenen bestaan. —
K l i i u m e u d e struikeu, welke een houtachtigen-, menigwerf
zeer dikken stengel hebben en met hunne ranken het geboomte
in het rond doorvlechten, zijn eenige Rotan-soorten, als, Oe
peti (of kasor) s. : Calamus ornatus bi., welke eene grootelengte
bereikt, en Oè moeka s., P énga l ing t jat j ing j. : Calamus ciliaris
L. ; — wijders Malati aroi s. : Jasminum scandens vahi., en
andere soorten van dit geslacht, —• benevens den zonderbaren Ki
koepoe koepoe s. : Cissns involucrata spr. (Pterisanthescissioides
aiior.), die, wat betreft zijn habitus, zieh geheel en al voordoet
als een Cissus, waarvan hij zieh alleen onderscheidt door zij ne
bladvormige bloeiwijze. Nevens de bovengenoemden groeijen, vooral
op kalkachtige zandsteenrotsen, (1) Gatel j. : Derrismultiflora Benth.,
een groole, klimmende struik, prijkende met fraaije zijwaarts
groeijende bloesemtrossen, wier bloedroode kelken en witachtige
bloemkroonen zoo wel den kalen rotsbodem als het nabijstaande
geboomte ten sieraad strekken. Onder de ^i ingerplanteu met
ki-<ts<ìaeSitigeii stengel ; die het geboomte als met een vlechtwerk
zaamverbinden en verrà in het rond en hoog opwaarts klimmen,
worden, behalve eenige Apocyneèn, als, Aroi kikoewat.
Secamene lanceolata Bi. , op een kalkachtigen bodem voornamelijk
Cucurbitaceen aangetroffen, waaronder verscheidene Momordicasoorten
, Coccinia indica vv^ght et Am., Bryonopsis heterophylla en
Zoo als, bij voorbeeld, te Blitaran , zuidoostwaarts van Jogjakerta.
liorste zone. 027 Nogonde gobied.
sagittata, Ei'ythropalum scandens en Trichosanthes scandens
Bi., de hoofdvormen zijn. — In Oost-Java en op Madoera groeit in
dergelijke boschjes Passiflora Horsfieldii bi .
De hier boven opgetelde boomen, struiken en slingerplanten
zijn diegenen, welke het menigvuldigst worden gevonden op een
kalkachtigen bodem aan de hellingen van heuvelen of in de daar tusschen
gelegene dalen , alwaar zij kreupelachtige, verbrokkelde boschgroepen
vormen, die zeer ongelijk van hoogte zijn. Op een dergelijken
bodem wast een klein varenkruid Polybotrya aurila bi.
in groote menigte; het wordt voornamelijk in de nabijheid der
zuider kust gevonden en mag dan steeds als een bewijs worden
beschouwd, dat het liggende gesteente van den bodem, dien men
betreedt, eene kalkbank is.
DB KAI.B WANDBiI DEB. STEII. OPRIJZENDB KAL KS TBENBANKBW
, JA , ZELFS DER KAIiKKOTSEN , DIE ZICH A1.S •¡TORBNS VERHEFTEN,
zijn omvlochten met de houtachtige stengels der Chavica
sarmentosa Miq. , Ghavica officinarum Miq. en van andere
Piperaceen, die als het wäre een net vormen om de grootste
kalksteenblokken ; daarenboven groeijen hier nog Clematis Junghuhniana
de Vr., verscheidene Gissus-soorten, wier stengels ranken
vormen, ter dikte van een arm, benevens eene klimmende,
struikachtige Leguminosa : Entada scandens l. , die met bare
lange bloemtrossen aan het groene vlechtwerk ten sieraad strekt.
In de holten van den kalksteen Schieten Begonia erosa Waii.
bare wortelen, benevens kleine, doch fraaije soorten van Argostemma
Vttall. (Pomangium Reinw. ) en andere saprijke plantjes, die
hier hunne bloemen ten toon spreiden. Een liefelijk kontrast vormt
het groen der slingerplanten met de witte kalksteenwanden, ja,
op menige plaats hangt het in guirlandes van den rand der rotstorens
benedenwaarts ; op hunne schedels groeijen Urostigma bicorne
Miq., Ficus Remblas Miq., Ficus gibbosa bi. en vele andere boomsoorten,
welke tot het Ficus-geslacht behooren en waarvan het
schoone, schaduwrijke loofgewelf zieh ver uitstrekt buiten den
rand der rotsen, waarop dit geboomte zieh verheft. Gelijk de
houtachtige ranken der slingerstruiken legen de rotswanden opklimmen
en allengs den schedel naderen, zoo ziet men daarentegeu
ih
f i ' I