
m s t , i
q Stru<5umr der Ilolligheden 5 en haare
Spieren en Ringekens> leevens grootte..
. De Spier die wen in het middelpunt der Hol-
iitheden ßety. als eok hoe dit ganfche deel Jelye
uyt fpieragtige Vefels beflaat Boven aanfiet
men de/warte rant van bet hoorbeemg Ringe-
Men der Holligbeden. .
i . De inwendige bolle van i t Holhgbeyd, met ß n
vefclagtige oj fpieragtige flruämr, en de jwaite
ram van btt afgebeelde Ringeken. Van anderen
fiel men een gedeelte der Spier, die de Helte van
de Holligbeid vervtyd.
. Hot afgeboelde Ringeken allem, enopfy gelegt.
. Het felve Rmgeken van bovenen afgebeelt.
'. Een gedeelte van dit Rmgeken afgefneeden.
Fig. III.
De Struftuur der Bek,leevens grootte.
u.a. Delviee Viengelen van bet Hoornbeen der onb
h '^ p la a t s , daar de Bek, ah een omgebooge
kort papier, irrwendig in figjelve mbaygt, m a r
door by fyn dikle enßerkte verkrygt.
c De plaats, daar dit irrwaarts gebege deel des
' Beks wer agterviaarts uytbaygt enbol is.
d Het bevenßegedeelte der Bek, dat m fyn ßrtt-
üuur weynig van bet onderße ver/ebeell.
e . e . Syn inwendige bolle bogt, daar de tong fyn
i plaats in beeft.
I Fig. m
De Tong en de Kwylkanaalenj leevens
grootte.
De Bogt, die de tong naturelyk beeft in fyn
h yH e t% 1a ^ e P h e f ib der tong, dat eenfpon-
» M l Fvnlkanaal, in bet fpierag-
tige deel der ‘Tong.
d Het Rwylkanaal felve.
e .e . twee Klieren, daar bet Kwylkanaalßn oor-
fpronk uytneemt.
f. f. Eenige der Spieren van de Tong.
Fig. v.
De Tong apart, leevens grootte.
Het Vlies van de tong van een gefpreyt.
De [even KratMeenige Beenkent der tona,
de top van eengefibeiden.
Fig.