
ill
A .J a , zulke Mierennesten vindc men op de
Goudkusc van Gumee,en ce Madura mÖosp-
Indien, in het midden der velden, en deeze
zyn uitwendig met een ondoordringbaar plaister
beftreeken. Ook maaken zy groote nesten onder
de hooge boomen. Deeze Mieren verga-
deren dikwils by heele troepen, als een beirle-
g e r , in de wooningen. Men ziet, zegt men»
aan het hoofd van haare Krygsbenden,dertigof
veertig leidsmannen, die derzelver voortogt be-
ftieren, en de andere, in grootte, overtreffem
V. Dac is verwonderlyk , maar wat doen
zydan?
A. Zo men verzuimc heefc eenige ipyze weg
ie fluken, dan maaken zy ’er zig meester
van, en het leger der Mieren trekt, in een
goede orde, af, en voert zyn buic met zig.
Geduurende het verbiyf van een zeker Schryver,
aan de HmpCerf&, en die deeze byzonderheden
verhaalt, kwam een groote menigte van deeze
Mieren op het Kasteei aanvaüen. Het was byna
dag, wanneer de voorhoede in de Kapel aaa-
Itwam, in welke eenige Negers op den grond
lagen te flapen. Door de komsc nu van dit
kleine heir wierden zy opgewekt, zynde de aeh-
ierboede nog een vierde van een uur daarvan
verwydert. Z o dra men nu over dit voor val ge-
laadpleegd had, beiloot men, om buskruifc
längs hec vogtpad, dac deeze Mieren gemaakt
haddens te ftrooi|en, ea op alle plaatfen, op
.weli
welke zy zig begonnen ce verfprelden; men
deed ’er dus verfcheiden millioenen van omkomen
, welke reeds in de Kapel waren. Doch
zo dra de achcerhoede hec gevaar omdekce,
keerde zy eensklaps om, en begaf zig regt-
ilreeks naar de wooningen.
V. Welk een list, in zulke kleine diertjes,
o f veeleer een ingefchapen beleid; doch het In-
ñinct van den Mierenleeuw, Wiens aart de
Vwtt Martinet zo bevallig, op pag. 9 5 , be»
fchryft, is vooral niet minder; wonderbaarlyk
is dezelve in zyn beflaan en prakcyk, om zyn
voedzel te zoeken, maar ik wenschte gaarne nog
wel lets te hooren van zyne gedaante, en de
wyze, op welke hy zo fraai een kuil in ’czand
weec te graaven, om zyn prooi te vangen,
vermits my die- buitengemeen aartig voorkorac.
Misfchien zulc gy tny daarvan ook nog iets by-
zonders kunnen verhaalen?
A. Om uwe nieuwsgierigheid dan te voldoen¿
zo weec, dat de Mierenleeuw een Infecc is,en
wel van die foort , welke zig in een Vlieg met
vier vieugelen verändert. Het heeft de Iengte
van een gemeene pisfebed, maar is veel breeder;
het heeft een vry lange kop, en rondach-
tig lighaam, dat zig naar den flaart langwerpig
uitbreid, van eeii aschverwig graauwe kleur
met zwarte ilippen, gevlakt; de zes pooten;
die hec lighaam' onderfleunen, verheffen zig een
weinigj men merkt drie onderfcheiden deelen
i . in
. 1 1
£ ■
'■i'
'-.7 ■■.
f t
t :