
■.r 'it &
1 .
a
OVER DE BYZONDERE I N SECTEN
ONZf i? VATERLANDS ,
A. W e l nu, myn vriend, hebt gy wel op.
gemerkt hoe behaaglyk, nuttig, encevensver.
wondering wekkend, deHeerMd¡r#/«wü, op
P^g. 4 4 »45 CO 4Ö, eene befchryvinge gegevep
heeft, van de twee anderzins zo haatelyke en
veragtelyke diertjes, naamelyk, de Lais en
de F/oa. Hebt gy ooit wel geweeten, dac de,
zelve met zo veel konst, en alle noodwendige
wapentuigen, tot hunne behoeften noodig, te
voorfchyn kwatnen, Wilt gy nog meer wonderen
daar van hooren, ik zal ze U verbalen?
want dit ongedierte heefc, nietcegenftaande het
zeer affchuwelyk voor de oogen is, echter de
oplettenheid van de grootfte Natuurkenners , zq
wel oude ais latere, tot zig getrokken,
V, Het zal my ongemeen lief en aangenaam
zyn, zo Gy my van deeze aartige, doch tevens
voor den mensch lästige en fchadelyke diertjes,
nog eenige merkwaardige byzonderheden weet
pede te deelen ?
A. De groote Leeuwenhoek heefc opgemerkt;
dat de Luis een korte en kegelvormige neus
heefcj waar |n eene opening is, u|c welke zy
teehaaren
angel uitfchiet, wanneer zy voedzel wil
gebruiken; deeze angel nu oordeelde hy twintig-
maal dunner dan een menfchen hair te zyn: verder
nam hy waar, dat haare kop geennaad had,
dat haare hoorens in v y f leedtjes verdeeld waren
, en dat zy twee klaauwen aan elke poot had ,
waar van de eene naar die van de Arenden ge-
leek, en de andere zeer kort en klein was;en
tusfchen deeze klaauwen was een kleine verhe-
venheid,om de hairen beter aan fe kunnen vatten
, en ’er zieh aan vast te hechten. Den kop
van dé luis bevond hy langwerpig aan hetvoor-
fte gedeelte, en rondagtig aan de agterzyde; de
huid van de luis is hard, wollig, dooríchynend,
en zo ftrak ais perkament; haare oogen zyn
zwart, en achter de hoornen geplaatst; dezelve
zyn niet netsgewyfe: haar hals is zeer kort, en aan
het borstftuk vast, weike zig in drie deelen
verdeelc: haar rug Is met een foorc van fchild
bedekt: aan de beide zyden, wordc men zes
pooten gewaar, die aan het ondarfte gedeelte
van hec borscftuk vast zyn : ieder poot beftaat
uit zes leedtjes van verfchiiiende groocte, weL
ke geftipt, woilig en met klaauwen gewapend
zyn,door welker behulp zy de lighaamen, die
een bekwaame grootte bezitten, aanvatten, en
over welke zy vry fnel heenloopen. Door be-
hulp van een vergrootglas, kan men alle inwendige
beweegingen van die dier ontdekken.
r '
B 4 V. Heeft
k'-i