
T a j .
XUI.
III:
I
,1'
l<
i
S o V E R V O L G VAN DE B E S C H R Y V I N G
in gellalte gcnoegzaiini volkoiiicn overeen mec de andeve, maar heefc asn hst
vooi-n-e en achtcrfte deel gceiie 20 mcrkelyk vcrheven punten. Haare grondverwe
is brain, cn op de bovenvlakte van h»ar achterdeel heeft ze, in de lengte, ze»
o f m e e r r e i c n oranjegeele pnnten, Iioedanigen 'er ool; eenigeii op Iiet voorlle
deel te zien zyn. Wyders kwam ze mei de voorige, als gezegd is, overeen»;
en de in haar verborgen zittende Vlinder verliec 00k binnen vcertien dagen de'
P o p p e t i h u l z e .
s. 8.
, ö. De eerde Vlinder uit niyne opgckweekte Rups vcrcoon ik in de ^dc Fig. fn
eene vlicgende geihkef. , De grondverwe zyncr vier uitgebrcide Vleugelen is
m e e r r o o d , dan oraiijegeel, en in dezelve ziec men vecle oniegelmaatige, ten
deC'
wasi Jungende am een EiTeiiblad. Uit dez.elve kv^m, den 22 der genoemde Maand, ecn
Vlinder te voorfchyn; die, fchoon de Pop aan deze van Fig. 3. gelyk was, echter gcene overcenkomil:
had mec den Vlinder, door Röfel in de 6 Fig. afgebeeld, die hy uit de Pop van
de 3 ic Fig. gekreegen had, en in 7. befchreevcn heeft. De myne was gantfch anders, de
bovenz,yde van des7.elfs vleugelen geleek meer naar die van den kleinen Paerlemoer - Vlinder,
welken de Heer Röfel, enkel met de bovenvlakte zyner vleugelen, hierna op de XVIII K' Tab.
Fig. 4. zooder Paerlemoer (Pap. PÜofella) heeft afgebeeld. Maar hy kwam, war de onder^
zyde betrof, met dien door Röfel befchreevea niet xo na overeen> behalve dar hy aldaar hddere
dofgeelaehtige vlakken vertoonde, ontbraken hem 00k, de naar den buitenlten rand toc
iiaandc dwarslinien van heldere ringen, met zwarte puntenj daar Röfel by de befchryving ran
zynen Paerlemoer-Vlinder in §. 8. ran fpreekt. , Doch 'er zyn meer foorten van diergelykc
bruiageele zwartgsvlakte Paerlemoer-Vogels, die elkander zeer gelyk zyn, cn daar door ligt
verwiiTeid worden , wanneer roen ze niet naauwkeurig genoeg by elkander vergelykt. Doch
ik zal in myne volgende Aantekcning op §. 7. gelegenheid hcbben, om hier van nadere opheU
dering te geeven.
K L E E M A N N.
• Uit de gcdaantc dezer Poppen is tc 7.ien, dat dezelven zig van de Poppen van andere Doorn«
rupfen, en wcl byzonder van die geenen. uit welken de Vlinders met uitgehoektc vleugelen
komen, hierin onderfcheiden} dat zy niet zo veel hoekige knobbels, en aan het hoofd gecii
tweehoorngelykendefpitzen hebben. Zy komea derhalven zeer naby aan die Poppen, welken
ontftaau uit ongedoornde Rupfen, die allcen agter aan den laatiieu ring met twee fpitaea
Toorzien zyn, en in viervoetige Dagvlindei-s veränderen.
K l e e m a u n .
t De Heer Linn^eus, noemt hem in zyn Syß. Nat. pag. 784' fp- P^P- N^mph Clnxia,
de Gebandeerde Mantel. De Heer van Rottenhurg zegt, met ten onrecht, in zyue nuttigc
Aannierkingen, die hy op de Hoefnagelifche Tabellen der Smetterlingen m het VI ic Huk van
het fraaie Walchifche Natuuronderzoek mede gedeeld heeft, pag. 5- »'Kr zyn vier gelykendc
„Vlinders, die van bykans alle Auaeuien met elkander verwiffeld, en, zonder onderfcheid.
,"met den naam van Cißxia benoemd worden. Geofroy is de eenige, die dezelven in eenege-
„regelde orde fchikti doch hy geeft dit ook maar alleen op, voor eene verbetermg. Zie zync
„Hißoire Abfigee het II le Deel/. 43. nr. 12. Ik ben volkomen overtuigd, dat het werklyk
„vicv onderfcbeiden foorten zyn5 't welk ook ieder kenaer, die dezelven met naauwkeung-
„heid tegen elkander befchouwt, zeer ligt zal tocIl:aau> dewyl zein haare voortteelmg ge-
„ hccl onderfcheiden ^yti-
DER R U P S E N EN V L I N D E R S 81
deelc enkele, ten deele te zamenhangende vierkantige zwarte vlakken en puncen, Tab.
van ondcrfcheiden groocte en vorm; welken uic dien hoofdc ook veelerleie Trekken
eil Figuuren vcrcoonen; gelyk uic de afbeclding duidclyk genoeg blykt.
Bovendien zyn zo wel de boven-als de onder vleugels aan den breeden rand mec
groenachcig Wirte gebrokcn zaagswyze vlakken onizct; welken aan deze vleugelen
gecn gering cieraad verleenen. Het zwarte lyf is van vooren ter wederzyde
g e e l , en aan 'c achterdecl graauw bezoomd," doch aan \ einde vindc men 'c mec
oranjcgeel ilof bezet. De Ivop cn de beide Sprieten zyn aan dczen, even als
aan alle foorten der Dagvogel s van de Eerfte ClaiTe. Maar betreffende de onderv
h k t e der vier vleugelen van dit Dagvlindertje, daar mede is ' t , gelyk we in de
j7dc f i g . zien, gantfch anders gefteld. De vooriten hebben ook wel een oran- Fig. 7.
jegeelen grond, maar zyn veel bleeker, cn met veele kleine zwarte vlakjes bezet,'
ook vertoonen zieh die genen, welken in den buitenften rand ftaan, Hechts
' als enkele puntjes. De rand zdve is b leek-biaauwacht ig-groen, en breidc zieh
nie tot aan den rand van de hoekfpits, alwaar hy tweemaal zo breed als aan
zyn begin,' bovendien heefc dezelve eene rei van groote, mitsgaders eene andere
rei van kleiner rtippen. De grond der onde r -of achtcrvleugelen is genoegzaam
L 3 do o r -
„De eerfte Varieteit van Geofroy heeft RofellV'^'^ Deel Tai. XIII. Fig. 6. 7. voorgefleldi
„ en deze noem ik Pap. Cinxia. De tweede Varieteit van Geofroy noem ik Pap. Atbalia ;
„en deze Vlinders zyn weder onderling zo vcrfcheiden, dat eenigen 'er zo ver van afwyken,
„ dat ik nog in 't onzeker blyve , of het niet wezenlyk vcrfcheiden foorten zyn. De derde Va-
..ricreit van Geofroy heeft Kófd IV-'-' Deel Tab. XVIII. Fig. 4. afgebceldj ik noem dezelve
„ Pap. Pilo felice. Eindelyk geef ik aan de vierde Varieteit van Geofroy den naam van Pap. Aurinia.
„ Buiten deze vier foorten, is my nog een Vlinder bekend, welke veel gelykheid met dezen
„heeft, waarvan ik ic 't vervolg eene Befchryving geeven zal. Hiertoe fchynt my ook te
„behoorcn de Pap. Maturna Ltnnal; doch ilc heb het geluk nog niet gehad van denzelven te
„ z i e n . " Zekerlyk behoort de Pap. Maturna 'er ook toe; uitgenomcn dat dezelve, op de
bovenzyde der vleugelen, buiten de donkerc plekken, ook veele heldere heeft. Wat verder
naar agteren in dit IV i^' Deel zegt RÖfel, by de befchryving der op de XXIX. Tab. Fig. A.
cn B. afgebeelde kleine zwarte, met veele witte punten befprenkelde Doornrups, met den
rooden kop en pooten , (welke met de hier op Tab. XIII. Fig. 4. voorgefteldc, buiten en behalven
den rooden kop en pooten, veele gelykheid heeft,) in §. lo. dat hy uit haare Pop,
welke met de hier op Tab. XIII. Fig. f . voorgeftelde insgelyks zeer overeenkomftig i j , een
cven diergelyken Dagvlindcr bekomen heeft, "als hy uit de weergalooze fchoone, gefchakeer-
»de, mitsgaders uit de reeds tc vooren befchreevcn zwarte Doornrups van deze tegenwoovdige
»Tab. XII . Fig, I. 2. 4. 6. en 7. bekomen hadj die zig alleenlyk daarin onderfcheidde,
j.dathy ecn weinig grooter, en de oranjegeele grond van de bovenvlakte der 4 Vierken
„niet zo hclder, maar meer bruinachtig geel uitgevallen was.«' Doch ik heb reeds aangemerkt,
dar 'er tuffchen den Pap. Cinxia, die uit de fchoone gefchakeerde Doornrups van deze
tegenwoordige Fig. i en 2. voortkomt, en tuíTchen dien op Tab. XVIII, Fig. 4. voorgellelden
Pap. Pilofellce, welke uit de op de tegenwoordige Tab. XIII. Fig, 4. afgetekendc
zwart en wit gepunteerde Doornrups ontftaat; dat 'er, zeg ik, hoewel 'er geen onderfcheid
tulTchen beide de Poppen wäre, nogtans onder de Vlinders, by eene nauwkeurige bezigtiging,
een aanmerkelyk onderfcheid te vinden is. Ik twyfel derhalve geenzins äau de giíTuig van den
Heer Röfel ázt naméntlyk, de uit de op XXiX. Fig. A cn B. afgebeelde zwarte Doorn«
rups ontllaande Vlinder, niettegeiUtaande deszelfs gelykheid, op het eerfte aanzien, met de
Vlinders der beide op Tab. XIII. Fig. i. 2 en 4. afgebeelde Dooruiupfcn, van eene cenigzins
aiidere fooit fchynt te zyn.
K l e e M A N
1
iFi'ii
!:ii: •