
vaardden de belijdenis van Nicea, misschien zonder er veel voor te
voelen, in elk geval zonder er zieh druk over te maken. Hun voomheid
had iets passiefs en richtte zieh op het einde der dingen. Er kwam een
trilling in den broederkring, wanneer het gerucht zieh verspreidde, dat
in het Oosten een valsch profeet opgestaan was, die zieh uitgaf voor
Johannes den Dooper, en in Spanje een ander, die beweerde Elia, ja
Christus zelf te zijn, en dat een Bisschop, met name Rufus, zoo onder
de bekoring van diens optreden gekomen was, dat hij hem aanbad als
God. Was het niet zonneklaar, dat het einde nabij en de komst van den
Antichrist aanstaande was r Martinus geloofde het ook. De vroomheid der
broeders werd niet beheerscht door de latere specifiek Augustinische
tegenstelling van zonde en genade, maar, evenals die der geloovigen in
de tweede eeuw, door de tegenstelling van de tegenwoordige en de toe-
komende wereld. De tucht was streng. Een soldaat wilde een bespiegelend
leven leiden, maar met zijn vrouw, die in een vrouwenklooster was.
Martinus wilde er niet van hooren en wees het verzoek af met de nüchtere
vraag: „O f de soldaat in den strijd ooit een vrouw had gezien.” De
man begreep de toepassing en bloosde. Martinus was het liefst alleen.
Nooit zag men hem lachen of toornen. Over zijn gelaat lag een hemelsche
vrede. Wanneer hij niet arbeidde, bad hij ; wanneer hij treurde, treurde
hij over de» zonden zijner vijanden ; wanneer hij een gast had, wiegeh hij
zelf hem na den maaltijd de voeten. Hij sliep' op den grond. Zijn opper-
kleed bestond uit een zwart hären mantel; over het hoofd had hij, een
kap. In de aan de kathedraal grenzende Bisschoppelijke sacristie zat hij
op een houten drievoet. In de kerk placht hij te staan, in onderscheiding
van de andere Bisschoppen, die op een verhevenheid troonden. De kracht
van Martinus lag op het gebied der praktijk. Zijn eenig oogmerk was,
het volk te verlossen van de Heidensche afgoderij en het te brengen tot
de verlossing in Christus. De Gallische boeren vreesden den strengen
man. Zijn optreden boezemde eerbied in. Op een zijner vele dienstreizen
zag hij in de verte een stoet, welke, naar hij meende, tot een Heidensch
offerfeest uitging en hiertoe de afgodsbeelden, in witte doeken gehuld,
medevoerde. Dichterbij gekomen, beval hij de boeren de baar neder te
te zetten. Zij gehoorzaamden bevende; de heilige lichtte het doek op en
zag een lijk, waarop hij met de hand een teeken gaf, dat zij konden
gaan. Geschenken nam hij alleen bij uitzondering aan. Het gezin van
Lycontius was door zijn voorbede van een ernstige ziekte hersteld. De
gelukkige vader bracht hem 800 pond zilver; de broeders spoorden
Martinus aan, het geld voor het klooster te besteden,,. daar zijzelve
behoefte aan het allernoodigste hadden, maar hij antwoordde. dat de
Christelijke gemeente verplicht was, hen te voeden en te kleeden, en
besteedde het geld tot het loskoopen van gevangenen. In het verkeer
met vrouwen wat hij niet zoo streng als de Oostersche asceten. Op
een zijner dienstreizen wilde hij een maagd bezoeken, van wie een
roep van hooge heiligheid uitging. Zijne leerlingen dachten, dat de non
vereerd zoui •;zijn door het bezoek van den heiligen man, maar zij
wilde hem zelfs niet zien en liet hem aan de deur afwijzen. In plaats
van hierover jgekrenkt te zijn, verheugde Martinus zieh over haar
„stralende deugd” en reisdet. zijn weg met blijdschap. Wanneer hij
bij Maximus logeerdey was het diens gemalin, die zijn ontvangst tot
in de kleinste bijzonderheden voorbereidde en gedurende zijn verblijf
in het paleis „hem diende als Martha en naar hem luisterde als Maria.”
Nooit zou hij bij de mächtigen der aarde in het gevlei komen. Toen
de Gallische Bisschöppen op een audientie te Trier den Keizer amnestie
voor hunne diocesanen vraagden, deden zij dat als ootmoedige smee-
kelingen, maar onze demokraat droeg zijn bede voor in den vorm van een
bevel, en toen de Keizer hem ten maaltijd noodigde, verklaarde Martinus
ronduitglniet te kunnen aanzitten met een man, die den eenen Keizer
onttroond en een ander vermoord had ). Maximus verontschuldigde zieh
en trachtte zijn misdrijf te vergoelijken, waarop Martinus toegaf en de
uitnoodiging aannam. Aan den feestdisch zat hij ter rechterzijde van den
Keizer; de priester, die hem vergezelde tusschen diens broeder en neef.
Toen de. schenker den Keizer de bokaal wilde reiken, liet deze ze den
Bisschop geven; Martinus dronk en gaf de bokaal niet aan den Keizer,
die er op wachtte, maar aan zijn priester, daar de geestelijke stand boven
den wereldlijken ging — , tot verbazing van allen, die het zagen en hoor-
den. Met de geestelijkheid stond hij op een gespannen voet. In de
kathedraal had Martinus een eigen kabinet, waar hij bleef totdat de conse-
cratie van het Hoogwaardige hem in het heiligdom riep. Eens, verhaalt
zijn biograaf, toen Martinus naar de kerk ging, ontmoette hij een half
naakten bedelaar, bevende van koude. Martinus beval den archidiaken
(assistent) den man van de noodige kleederen te voorzien. De archidiaken
draalde, waarop Martinus den arme in zijn kabinet nam, zieh ontkleedde
en hem zijn eigen tuniek gaf. Kort hieröp kwam de archidiaken zeggen
dat het volk in de kerk wachtte en dat het tijd werd om den dienst te
beginnen. „Eerst” , hernam Martinus, „moet de arme gekleed worden.”
9 Maximus had Valentinianus II te Milaan onttroond (3S7 v. C.); Gratianus was door
Maximus in Gallic besireden, te Parijs door V.ijn leger verlaten en den 25sten Aug. 383 te Lyon
vermoord.