
'.'1
144 H E D E N D A A G S C H E
gelds aan te fmeeren, en door wiens
hulp zelf zommigen flegthoofden
voorgeeven merkelyk verligting in
hunne quaalen bekomen te hebben.
D an ’t is genoeg van deeze
beuzelingen : die ’er meer van begeere
te weeten, dat hy den hier
voorgemelden Reicheltus, en anderen
naaflaa,die over diergelyke
ftof in ’t breede gefchreeven hebben.
Wat ons aanbelangt, wy gaan
tot weezenlykere zaaken over.
N E G E N D E H O O F D S T U K .
Van den Oorfpronk der getallen en ’/ eerße fyfferen.
Het is zeker dat de oorfpronk
der meeft in ’t gebruyk zynde
zaaken en konften, veeltyds
het minft bekend is , als by voorbeeld
de herkomft der fyfferwyze:
mids die genen, welken ze ge-
bruyken, zich flechts met het gemak
vernoegen, ’t gene hen die
konft door’t gebruyk toebrengt,
zonder zich wegens der zelver herkomfte
te bekommeren.
Door de eerfte menfchen zyn
zekerlyk niet alleen de maaten,
maar ook de getallen, mids der
zelver noodzaaklykheyd, ftraks al
uytgevonden: welken, gelyk zy
de grootte aller meetbaare zaaken
naar de grootte hunner Elboogen,
Voeten, Spannen, Duymen en
andere deelen hunner fteeds voor
de hand zynde lighaamen uytdruk-
tcn, zoo ook de eerfte telling naar
’t getal hunner vingeren zekerlyk
zullen bepaald hebben; als zynde
die de gereedfte Syffertafeltjens ,
welken de alzorgdraagende natuur
hen had aan de hand gegeeven.
Dat nu de eerfte menfchen op hunne
vingeren gefyfferd hebben wordt
door de gevolgen bewaarheyd:
Want hoe is ’t anders moogelyk
dat alle de onderfcheydene, en
zoover van den anderen afgelege-
ne volken tot zelfs de Wilden in
de Weftindien, fteeds hunne getallen
alom in tien verdeelen, dan
om dat zy alien van eenen Stam-
vader afdaalen, weike naa r’t get.
il zyner vingeren ook die bepaaling
in den beginne aldus zal gedaan
hebben.
Dus getuygt ons zeker (i) reys- It
befchryver hoe de woefte volken van Rob-
van Guana hunne getallen, door Imre,
’t opfteeken hunner vingeren tot
tien toe, te kennen gaven: dan
het getal hooger loopende gongen
zy tot de teenen over, invoege
zy die dan, by voorbeeld door
vyf-cvL-teen, zes-ca-teen, dat is
vyftien, zeftien, en zoo voorts
alle de overige grootere getallen
uytdrukten.
Welke eenvoudige ieratelling
by de oude Duytfchers zekerlyk
ook zal zyn in ’t gebruyk geweeft,
, mids die volken althans nog zoo
I wel het woord teen als tien door
dar van uytdrukken.
Op gelyke wyze hebben onze
voorouders, als van de Duytfchers
herkomftig, op hunne vingeren
gefyfferd, zulks de boertigeDichter
W. van Fokkenburg , op die
vingertelling het oog hebbende, te
recht aldus (2) opzingt : Kiint-
In dees denkwaarde tyd ßondt Mopzns
met zyn vrou,
E n telden elk om ß r y d of V y vrigß op
hiiar ving’ren,
Wanneer baar honte koe, of V langß we l
kalven zou.
Heeft deeze vingertelling plaatç
by de zoover afgelege Noordfche
volken, zoo behoefd zich niemand
te verwonderen, dat die ook
by
(,) Phi.
tarch.m
Apophc.
P E N N I N G K U N D E . I I Deel. I X Hoofdfi. 145
by de, PerfiaanCn in de zeer oude '
tyden is in gebruyk geweeft; als |
welken zoo n.aaby die Tanden woo-
nen, alwaar de werreld het eerft
bevoikt en des het teilen op de i
vingeren ook het eerft zal zyn
uytgevonden. Want waarom was
het anders dat men voorheen (i)
al den gunfteling Orontes , als
hy in de ongen.ide van Koning
Artaxerxes gevallen was , by de
vingeren van eenen , die lyffer-
de, vergeleek, dan om dat die
naar ’t welgevallen van den teller
, n il eens een, dan weer duyzend
deeden. Even gelyk de
Staatkundige Trajaan Bokalyn ,
in tegendeel, niet onaardtig aantekent
hoe in het Lanterluyipel
des hofs het laage Zesje, door de
gunft des Vorfts zynde troef ge-
keerd, ftraks de anders zeer hoogf
etytelde Heeren in rang voorby
reef
Ja het teilen op de vingeren is
heden tendageby de Arabieren in
gebruyk, gelyk my de Heer Raven
te Delft mondelings betuygd heeft,
van op deeze wys, voor de reke-
ning der Ooftindifche Maatfchappye
met die volken verfcheydene
maalen gehandeld te hebben.
Want by openbaare veyling iet,
by voorbeeld, drieduyzend guldens
könnende gelden, zoo na-
dert die gene , welke dat gedaane
bod wil verhoogen den vey-
le r, en neemende des zelfs rechter
hand, dekt die met eene neus-
doek en nypt des verkoopers drie
eerfte vingeren te zamen, tot een
token van de geftaiiddoening der
drie eerft uytgeloofde duyzend guldens
: waarop hy voorts nog,
om te betuygen dat hy het gedaane
bod met een lialfduyzend gul- i
dens verhoogt, den vierden of
volgenden vinger in ’t middenfte
lid neemt en dien toevouwt. Zoo
nu de verkooper voor dien prys de
gevyldezaak aan den bieder gunt,
geeft hy met de flinker hand den
palmflag op de ondcrlinge en met
de neusdoek nog bedekt zynde
handen: en dit alles op dat de om-
ftaanders niet zouden weeten tot
hoe hoogen prys de zaak verkogt
is. Doch welke gewoonte vooral
ftaats heeft in ’t koopen en ver-
toopen vanjuweelen in (2) ’ t Koningryk
Pegu.
Dat by de Romeynen het teilen
op de vingeren eertyds mede is in
gebruyk geweeft leydt geene te-
genlpraak, als könnende genoegzaam
door deezen (3) dichtregel
van Ovidius beveftigd worden.
S eu q u ia to t d ig i t i , p e r q u o s n um e ra re
Iblemus,
O f om dat 'er zoo veele vingeren z yn , ep
welken wy gewoon zyn te teilen.
te weeten: de kleyne getallen op
de vingeren van de flinker, en de
Honderden op die van de rechter
hand; en het is hierom dat de bekende
(4) fchimpdichter aldus opzingt
:
F e l i x n im irum .q u i p e r to t fé cu la m o r tem
D ii iu lir , a rq u e fu o s jam d e x t r a fu p p u ta t
annos.
Gelukkig voorwaar, die de dood Zoo Ian.
gen tyd ontdooken is , en des nu zyne
jaaren op zyne rechter hand telt.
Hierom wierdt ook Janus veeltyds
zoodaanig door de ouden verbeeld,
datdebuyging (5) zyner vin-
gerén het getal der dagen uytdruk-
te, uyt welken hetjaar beftondt.
En zekerlyk deeze vingertelling
was by die volken in zoo hooge
achting, dat zyde vingeren aan
Minerva (ó) hebben toegewyd, ter
oorzaake z y , gelyk Livius (7)
wil, het fyfferen ret eerft zoude
uytgevonden hebben.
Het teilen en fyfferen op de
vingeren moet niemand als gering
en verachtlyk voorkomen: want
Oo ik
W Reys-
toat van
Cafar
Fred, pagj
SO.
(3) O v i i
Faftor. lib.
l l l .ÿ .12 3 .
(4')Juven;
Sat. 7.
-h. 141.
(f) Plitu'a#
lib.XXIV»
cap. 7.
(6 )S e rT .
Virg.
Æneid.
III.Ó07.
(7> Lib.
V n .3 .7.
J !
■if:
Î !■