
H E D E N D A A G S C H E
f t
(t)PIin.
111). XXXIV.
c a p . I .
(a)Bou-
teroue
des Mon.
de Francd
fol. 72.
brokken op hun gewigt aan zieh
zal getrokken hebben. En dus ge-
tuygen ons de (t) oude fchriften,
dat Nnma een genootfchap van 't
vormen der metaalbrokken heeft
opgerecht. Welke ftukken van
geen befchaafd of rood maakfel
waaren, dewyl zy zieh vernoegden
met die alleen in plaaten op eene
bepaalde zwaarte te brengen , zulks
naar het gewicht alleen der zelver
waarde gerekend wierdt. De naa-
men van deeze aangeftelde bewinds
mannen , welken opzigt over het
maaken deezer geldplaaten , en het
beletten van bedrog hadden, zyn
ons onbekend. Echter meent zeker
(2) geleerd fchryver dat het de
fchatmeefters waaren , by hen
^taflores genaamd , en aan wie’s
lands fchatkift was toevertrouwd.
En ftrekt tot grondflag van deeze
ftelling dat de Schatmeefters, naa
het geldmaaken naamaals was ingevoerd,
federt altyd het recht van
het geld te munten en hunne naa-
men en hoedaanigheden daarop te
ftellen behouden hebben. Hoe ’t
z y , de Romeynen hebben daarenboven
eenen openbaaren geldwee-
ger (dien zy Libripens noemden )
in ieder ftad en geweft aangefteld,
ora de (3) geichilleu , die wegens
de zwaarte en waarde der metaalbrokken
ontftonden, te vereffenen.
Invoege , naa zelf het geldmunten
by die volken mede was ingevoerd,
echter by het maaken van hunne
uyterfte willen, de (4) oude pleg-
tluoli.i. tigheyd van den geldweeger nog
zeer lang in gebruyk bleef. Want
de Ouden ondetftelden het erfrecht,
aan den voorfchiktcn erfgenaam ,
by defihaal en koper over te draa-
gen.
Het fteeds afilyten nu der hocken
en kanten van deeze ruuwe metaalbrokken
, zal zekerlyk der zelver
bewerkers door de ondervinding
Cod. de
pondeiat.
hebben doen gewaar worden, dat de
ronde geftalte tot den dagelykfchen
handel de bequaamfte was , zoo
ora dat zoodaanige ftukken zieh
wel ’t voegelykft by den anderen
fchikken , o f , gelyk de Hyponi-
fche (5) Kerkvoogd w il, om dat
zy dus ligtlyk omrollen, en van den
eenen tot den
overgaan , als zynde tie ron
het zmnebeeld van de voortrollende
onhefiand'tgheyd. Waarby de temet
toeneeraende konft, zoo rot meer-
der fieraad als om de loophebbende
ftukken tegen alle befnoeijing te be-
fchutten , eyndelyk ook de opge-
ftempelde verbeeldingen zal hebben
toegevoegd. En aldus is de bron-
aar van zoo veele gruuwelen , dat
is bet aan allenmans hand zoo vaft-
kleevende geld, in de werreld gekomen.
Waarom zeker ftaatkundig
(Ö) Italiaan tot geneezing der quy-
nende werreld in eene doorluchtige
vergadering der zeven Wyzen van
Griekenland , welke door Apollo
op Parnas befcbreeven was , den
vcrmaarden Chilo deed voorflaan
om die genen , welken het geld
maakten en de metaalen zuyverden ,
te beveelen, van in het toekomen-
de zeer naauw toe te zien, van die
wel te deeg te lauteren, en niet eer
van het vuur te neeraen, voor dat
zy zeker waaren , dat de aanbevoole
metaalen van den daardoorloopen-
den terpentynader wel gezuyverd
waaren , welke anders de oorzaak
was dat die zelfs den vroome en
eerlyke luyden, altemets zoo vaft
aau de vingeren kleefden. En waarom
ook Lycurgus al in zynen tyd,
tot voorkomiiige van zoo gevaarlyk
quaad, het gebruyk van zoo aan-
trekkelyk metaal verboodt , met
bevel dat in het koopen, verkoopen
en andere handelingen ieder
zieh (r) van geen geld, maar van
het onderling mangelen der waaren.
(6 )Tta j;
Bokalyn
kundfch.
van Par-
D«s,I.dce]
pag. 410. ■
cap. a.
(i) Spanh.
deufu ÔC
pr»ft.
num. fol.
hoofdmannen bekend maakte, dat
veele uylen zieh onder zyns Heeren
dak onthielden. Mids zyn meefter
het geld, ’t gene hy van Lyfander
geftoolen had, en waarop een uyl
geftempeld was , in zyn buys ter
dier plaatle had (3) verftooken.
Desgelyks hebben de Corinters
het (4) paard Pegafus ; de Dar-
daners eenen Haan ; die van Reggio
eenen Haas ; de Cephaloniers
een Paard ; die van Argos eene
Muys ; de Philippenfers en A-
lexandriers eenen Muylezel en anderen
, andere ( y ) merktekenen
op hunne gemaakte geldftukken gefteld.
ren , volgens de eerfte eenvondig-
heyd , zoude hebben te bedienen.
Maar gelyk door deeze wet , wcl
het voorwerp van der menfchen
begeerlykheyd, doch de overgeerf-
de begeerlykheyd zelve uyt den
menfch niet wierdt weggenomen,
zoo had ze weynig gevolg, en zyn
de ronde geldftukken by de onder-
fchcydene volken in zwang geblec-
ven en naar ieders welgevallen met
onderfcheydene merktekens gemunt
geworden.
Dus hebben de Atheners eenen ( i )
Uyl , als zynde Minervas vogel ,
WPium- op hon geld gefteld ; waarom de
chus ia fig jf yajj Gyfippus (2) aan de Gild-
(31 Neu-'
hufii inf.
Imp. R.
pag. 204. (4) Spznh.
de UÍU Sc
præft.
num. fol:
236. 564.
S.?.;
aimq. cap.
X III. pag.
37*
D E R D E H O O F D S T U K .
Fan het eerße geldmunten der onderfcheydene
Ooßer/che volken.
D'Oor welke volken en in welke
landfchappen en tyden het
eerfte geld geraunt is , zyn het
de geleetden niet eens, maar is
hun gevoelen op dat ftuk verfchey-
de.
En wat de Heylige bladen, zynde
de oudfte hiftorifchriften, welken
men althans bezit, aangaat ¡
daarin wordt voor de zondvloed
geene het minfte gewag van het
maaken of munten eeniger geldftukken
gevonden. Dan naa die
zoo algemeene ftrafpleeging vol-
trokken en het menfchlyk geflacht
in den perfoon van Noach en zyn
gezin op zoo wonderbaare wys behouden
was , meenen (ó) eenigen
dat door Noach , als in wien te ge-
lyk alle de voorgaande (7) konften
0)Ecdtf. behouden en bewaard waaren, ook
het eerfte geldmunten, de maaten
en gcwigten zouden uytgevonden en
(6) Boute-
roue des
Mon.de
Franc, fol.
onder die van zyn geflacht, eer zy
zieh over de weer droog geworde
werreld wyd en zyd van een ver-
ipreydden , aanftonds ingevoerd
zyn. En dierhalven dat het eerfte
geld door Magog zynen Kleyn-
zoon, die ftamvader der Scyten geweeft
is , zonde gemunt zyn , van
wien deHeydenen hunnen (8) Pro- <*>
motheus gemaakt hebben, welken tib.Lcap.’ ,'
zy verdichten , dat hy het vuur van
den Hemel bekomen had, ter oorzaake
hy de konft bezeeten heeft
van het koper yzer, en andere
metaalen te fmelten , en d o o r’t
middel van het vuur daarvan verfcheydene
vaten , de noodwendige
werktuygen en andere zaaken te
maaken. En zekerlyk dat by de
Jooden en hunne naaftgelegene volken
het gebruyk van geld al in zeer
vroege tyden is bekend geweeft,
word: door de Heylige bladen be-
C 2 veftigd:
t