
by Denain in ’t jaar zeventien- , Heer Ivoy als Stedevoogil het behonderdtwaalf
eene zwaare nederlaag
te beurt: zulks het zeege-
vel voerde, en, door het gebrek
v an ’t noodige geld, zich dierhalven
praalende Franfche leger, naa het
zich van de voorverloore ftad
Douay weder meefter gemaakt
had, eyndelyk ook in Herfftmaand
des zelven jaars het beleg voor
Quesnoy floeg, waar binnen de , maaken.
verpligt vondt tot betaalinge
zyner onderhoorige bezettelingen
dusdaanige noodftukken, voerende
zyn wapenfchild, ’t gene in ouwel
op papier gedrukt was, te laaten
Zyn in ouwel gedrukt wapenfchild
is op de eene, en dit opfchrift,
met des ftedevoogds eyge
handtekening met ink op de tegenzyde
gefteld:
4 SO L S , Q U E S N O Y . GO U V E R -
N e u r IVOY .
4 S TU T F E R S T E ^U E SNOT .
D E S T E D E FO O G D IFOT .
Uyt alle deeze alhier bygebragte
noodftukken niet min onderfcheyden
door de opgeftelde verbeeldingen,
dan de daartoe gebruykte
muntftoffe, midsgaders
ook uyt alle de anderen, welken
zoonu zoodan door verfcheydene
Stedenvoogden in de belegerde
plaatfen gemaakt zyn, en althans
nog in geen kleyn getal en der
liefhebberen verzamelkaifen alom
gevonden worden , kan men voor
als eenen vaften ftelregcl beiluyten
van nooit op de zelven de
beeldenis van den Stedevoogd
zelf, die het heeft laaten flaan,
maar wel van den Vorft, uyt wiens
naam hy de hem aanbetrouwde
plaats befchermt, te zullen geftempeld
vinden. Dewyl die ingevoerde
noodftukken hunne innerlyke
waarde geenszins uyt den boezem
van den Stedevoogd, als geenen
Souverain zynde, maar van den
V o rft, het Vorftendom o f den
Vryenftaat, wier plaats hy in de
belegerde ftad alleen bekleedt, komen
te ontfangen. Dierhalve is
dit zilvere noodftuk, ’ t gene door
den Heer van Surville te Doornik,
ftaande des zelfs belegering in
’tja a r zeventienhonderdnegen gemunt
en voor twintig ftuyvers
;angbaar geweeft is , onze byzon-
ere opmerking wel waardig.
Dewyl het tegen deeze waar-
achtige gronden, en het daarom
tot nog toe alom onderhouden gebruyk
rechtdraads aanloopende,
boven des ftedevoogds naam nietalleen
met des zelfs gelaurierd
borftbeeld , maar verfierd met
den achterafhangenden Vorftlyken
haairband, zynde het alom aangenome
(i) teken der Souverainiteyt,
beftempeld is. ;
Dus kittelde zich Cæzar met '
geene
(i)Sucton.
in vita C*r.§.27.
A) Suet,
invita
Titi S. 5.
(3) Suet,
in vita
Tiber. §.9.
(4) Hem
in Neron.
§ .13 .
(OHiil.de
I’Acid.des
Infcript.
tom. I. pjj. 34S.
geene kleyne ofydelehoope,eener
Vorftlyke moogendheyd alswanneer
hy zyn opgerechte ftandbeeld
met eenen dusdaanigen (i) haairband
verfierd zag, zulks h y , het zy
uyt zyne gewoonlyke zedigheyd ,
het zy uyt eene diepe ftaatkunde,
dien, om alle argwaan weg te
neemen, aan den opperften Jupiter
toeweydde. Titus Velpafiaan, een
Vorft anders zoo bezadigd, had
ook geen ander vermoeden gegeeven
, van dat h y , tegen den Keyzer
zynen Vader, naar het opper-
gebied van’t Oofte ftondt, dan om
dat hy in Egypte het hooge feeft
van Apis, met een zoodaanig
hoofdfieraad (i) had bygewoond.
Eyndelyk zoo getuygen ons de hiftorifchryvers
hoe Tigranes door
Keyzer (3) Tiberius, en Tirida-
tes (4) door Nero, zoodaanigen
haairband ontfangende, op die wys
tot Koningen verklaard zyn. En
zekerlyk dit zonderling gedrag liep
ftraks het op alles achtgeevende
Franfche Hof in ’t oog, zulks
men deswege van de Hoogefchool
der opfchriften haar gevoele (j)
heeft zien innen. Welke, als
den maaker gunftig zynde, door
den Heer de Boze betuygde dat
(7) Ibidem
pag. 3 J i .
men zoodaanige noodmunten voor
geene volftage geldftukken, maar
flecht als merktekens en een on-
derpandvan ’ tgene de ftedevoogd
aan ’t gemeen verfchuld was,
moeft aanzien, en, hoewel het
beter waar des Vorften (d) naam
en beeldenis op zoodaanige ftuk-
ken te ftellen, dat deeze zaak als
alleen uyt eene edele drift (7) gefchied
om zynen naam dus te vereeuwigen
, dierhalven verfchoon-
baar was,te meer dewyl’er tot nogtoe
geene uytdrukkelyke wet waar,
door welke het ftellen van eyge
beeldenis op zoodaanige ftukken
den ftedevoogden verbooden was.
Hoe ’t z y , gelyk men volgens
deeze gronden geenszins de beeldenis
van eenigen ftedevoogd, behalven
van den Heer vanSurville,
op eenige noodftukken gefteld
vindt, zoo moeten de liefhebbers
zich geenszins verwonderen van
boven op de geftempelde verbeeldingen,
veeltyds nog een kleyn
merkteken, o f wapenfchildtje geflaagen
te zien, als, by voorbeeld
op dit volgende, ’t gene te Breda
gemunt is , als (8) die ftad in het
jaar vyftienhonderdzevenenzeven-
tig door de Spanjaards belegerd was.
(SlNcdttl.
Want binnen het opgeftempel-
de randfchrift, ’t gene a dus luydt :
N E C E S S I T A T I S E RGO. 1577.
N O O D SH A L F E N . if77.
Zoo ziet men op den in het
midden geftelden naam dier ftad
een kleyn fchildtje, voerende eene
pofthoorn, geftempeld, ’t gene
ret wapenfchild van Oranje is,
ten blyke dat de waatde van dit
loode noodftuk federt by inwiffelin-
geop laft van den Prins van Oranje
, als zynde Heer van Breda, den
inwooneren vcrgoed en voldaan
is. Even als op het hiervoor ver-
beeide (*) papiere geld van Leyde
een laater opgeftempeld wapenfchildtje
van Holland, ora dat
door des zelfs Staaten gelyke ver-
A a a goe-
(1•8)2 .z,
I ii
■%