
."K
dc eerften van de aangenome
Keurvorftlyke zinfpreuk :
S u U M C U I Q J U E .
A A N I E D E R ’iT Z YNE .
Etl, om temeer gedekt te zyn,
voorts no? o door dit omfchrift omwald
:
S O L E N N I S S IM E C O R O N A T A
R E G IO M O N T I B O R U S S IO -
RUM D i e X V I I I
JA N U A R I I A N N O C H R I S T I
M D C G L
OP E E N E A L L E R P L E G T I G S T E
W Y Z E YE KO N IN G S B E R G
I N P R U Y S S E
G E K RO OND D E N 18 DAG F A N
LOUWMA AND
I N r J A A R F A N CHR I S TUS
1701.
En even als of dat alles niet genoeg
waar , zoo is ’er nog een
tweede buytenwerk van deezen inhoud,
omgelegd:
E L E C T O R I S E R A S C O N JU X ,
POST F IL IA , SED NUNC
R E G I S E R I S C O N JU X , S IS
MODO S E R A P A R E N S .
GT IV A A R T E E R S f D E G EMA A L
I N E N N A A M A A L S
D E DOCHT E R V A N E E N E N
K E U R V O R S T ,
DOdH THANS DE VROU VAN
E E N E N KONING,
D E S W O R D T ' E R OOK N A A M
A A L S D E M O E D E R VAN.
Eyndelyk , op dat ’er geene
toegangen onbezet, en dus eene
gelegenheyd voor eenige onverwachte
aanvallen openblyven , is
de dikte des pennings nog beftempeld
inet dit tweeledig gedieht :
V IV A T R E X F R ID E R I C U S , 1 0 !
R E G IN A Q U E V IV A T ,
R E G IU S E T P R IN C E P S , BREN-
NAQ_UE T O T A DO M U S .
L A N G L E E V E KON IN G
F R E D E R I K ,
L A N G L E E V E D E K O N I N G I N
E N D E K O N IN G L T K E
P R IN S ,
M ID S G A D E R S H E T G E H E E L E
B R E N N I S C H E HUTS' .
Doch zou men ook niet daarby
wel moogen voegen, lang leeve de
uytvinder van zoo zinryken fenmy
tegenwerpen bet voorbee:lIdd vvan de
Franfche Hoogefchool der Opfchriften
, welke opzigt over het
geld- en penningmunten heeft en
echter de door my afgekeurde
randfchriften op de dikte van de
Franfche geldftukken komt toe te
laaten en goed te keuren. Desgelyks
ook het voorbeeld der Engelfchen
, als wier geldftukken fteeds
op hunne dikte tot randfchrift het
jaar der regeeringe huns Konings
voeren.
Voor eerft wat de bequaamheyd
van de Franfche Hoogeichooie der
Opfchriften in ’t ontwerpen van
penningen, en het verftaan van
de daartoe vereyfchte grondregelen
aangaat, bekenne ik my let
tot eere te rekenen , van haare
doorluchtige en alom geroemde
voetftappen van verre flechts
maar te moogen naavolgen; j a haare
ondcrvinding in die konft is
zoodaanig, dat het te wenfchen
waar, dat die van alle de tegenwoordige
penningmaakers was opgevolgd
, en naar vereyfch inachtgenomen
; en dan zoude ook het
opftellen van het laatfte deel deezer
Penningkunde geheel onnoodig
geweeft zyn. Ja ! het is volgens
deeze ondcrvinding en waarfchynlyk
ook omde zelfde beweegrede
, door my zoo aanftonds
voorgedraagen, dat die doorluchtige
vergadering zich wcl gewagt
heeft, van ooit op de dikte haarer
penningen de eene of andere
ont-
P E N N I N G K U N D E .
ontleende zinfpreuk te ftellen :
hoewel zy dat te doen op de geldftukken
om geene andere rede
goedkeurt en toelaat; dan ora die
voor alle befnoeijing en randquet-
fing te befchutten. Waarvoor
men, in opzigte der penningen,
niet te vreezen heeft; vermids die
niet by ’t ftuk maar gemeenlyk
volgens hun gewigt verkogt worden.
Overzulks zou zoo een on-
hebbelyke handel geenszins den
penningbefnoeijer eenig voordeel,
maar integendeel eene onvermydelyke
fchaade toebrengen; ter
oorzaake de tekoopgeveylde penning
in zynen rand zynde ge-
fchonden te minder zoude gelden.
Dit loft ook op het voorbeeld der
Engelfche geldftukken, op wier
dikte om de zelfde rede, als wy
van de Franfchen gemeld hebben,
het aangeweeze omfchrift alleen
gefteld is.
I / /D e e l: IXHoofdfl. 247
Voorts dienen de Op- en Omfchriften
v.an dien aardt te weezen,
dat men daar door de nevensver-
beelde perfoonen nooit fpreekende
invoert: want gelyk de fchil-
derkonft en de beeldhouwery-.eene
ftomme Poezy zyn, zoo i s ’t niet
redelyk dat men de ftomme verbeeldfelen
aldaar Ipreekende invoert.
En gelyk ik in den {*) be- S " “ "'
ginne hebbe aangemerkt' dat de
penningen in veele deelen aan de ,
Mimen en Pantomimen der R o meynen
gelyk zyn, wier laatften
alles ftommelings en door uyterlyke
gehaarten ( 1 ) vertoonden; ^dor.'vSf' I
hoe kan men in de vertooningen,
die op de ruggeftukken der penningen
gefchieden, met eene wel-
betaamelykheyd de uyt hunnen
aardt ftom zynde verbeeldfelen
doen fpreeken? En het is hierin
dat dees penning gebreklyk
is ;
Welke, ter oorzaake dat de
Hertog van Zel met de Ridderlyke
waardigheyd van den Hoos-
band door Koning Willem begiftigd
wierdt, en boven de eenvoudige
verbeelding dit fpreekend
omfchrift in den rand voert :
HOC P R E T IU M V Ï R T U T I S
H A B E .
HEB DI T TOT B E LOO N IN G ÜWER
D A P P E R H E T D .
Doch ’t gene veel deftiger zoude
geweeft zyn , by aldien op den
penning alleen gefteld waar:
P R E T IU M V I R T U T I S .
DE B E LO O N IN G D E R DAP P
E RH E T D .
En dan zoude deeze korte ipreuk
nevens de eenvoudige verbeelding
en het op den voorgrond geftelde
opfchrift, ’t gene de overgebleeve
duyfterheyd van het omfchrift op-
heidert, een taamelyk goed ruggeftuk
hebben uytgeleverd. En het
Q.qq 2 is
4
i! à
1
i'i
.Ài >,