
I «ili
moet. Ell zekerlyk liet is bynaar
onmoogelyk, dat een uytgedacht
jaarfchrift alle die eygenfchappen
bezit,welken tot het ontwerpen
van een goed om- of opfchrift,
vereyfcht worden.
Behalven het voor goed en als
volflaage noodwendig geachte
jaartal, zetten eenigen, als op den
laatft ten voorbeeld bygebragten
ienning,ook den dag der maand:
let welke, niet tegenftaande de
Franfche Hoogefchool althans ook
van dat begrip geworden is , ik
echter overtollig achte j het en
waar in den dag zelf eenige opheldering
was gelegen: als, by voorbeeld
, indien de zelfde Vorft in
een en het zelfde jaar twee overwinningen
op den zelfden vyand
en de zelfde plaats (ik ftelle eens;
Oudenaarde) behaald had. Want
dan zoude het niet klaar en goed-
genoeg zyn alleen te ftellen Over-
winning by Oudenaarde , met by-
voeging van het enkel jaartal;
doordien men aldus in onzekerheyd
zou blyven o f naamelyk die
penning op de eerfte of wel op de
tweede overwinning gemaakt was.
En buyten welk en andere dusdaanige
voorvallen, waar in het
byvoegen van den dag volftaagen
noodzaakelyk is , ik deeze by-
ftelling geheel overtollig achte.
Want waarom dan ook de week,
ja het nur van den dag zelf daar
niet bygevoegt ?
E L F D E H O O F D S T U K .
Van de kleeding.
Hw
JE t voornaamfte oogmerk eens
pennings is , om de merk-
diae aeda
aardige gedaehtenis der voorgevallene
zaaken op eene aangenaame
en bevallige wyze niet alleen
nu, maar ook aan alle de volgende
tyden en eeuwen achter te laaten;
dierhalven wordt, om deeze
aangepreeze aangenaamheyd te
bereyken, niet alleen vereyfcht
dat die in de om- en opfchriften,
de zinrykheyd der vindinge, en
regelmaatige houding der verbeelde
zaaken, maar ook in de kleeding
der op de penningen verbeelde
perfoonen, het zy die op de
voor- , het zy die op de rugzyden
gefteld zyn , met eene fteeds
beftandigbly vende aangenaamheyd
doorftraale.
Welke kleeding naar vereyfch
van zaaken uyt te kiezen en met
eene aangenaame los- en zwierig-
heyd te verbeelden, hoe eenvoudig
ons die zaak in den eerften
opllag ook toefchynt, de konft
des ftempelfnyders niet weynig
te ftaade komt, zulks de eene en de
zelfde kleeding door deezen bewerkt
ons zeer bevallig, en door
eenen anderen weer als geheel
wanftallig zal voorkomen: gelyk
uyt de voorzyden deezer twee penningen
is a f te meeten.
Wier
P E N N I N G K U N D E . I l l Deel: X I Hoofdfi. 157
S t e t em ;
Wier eerfte, hoewel beyden de
daarop geftelde perfoonen met eenen
mantel en bef verbeeld zyn,
zeer fierlyk, doch de tweede integendeel
van die aanlokkende bevalligheyd
niet weynig beroofd en
ontzet is.
De kleeding dan is tweederhande,
te weeten: de oude en de nieuwe
o f hedendaagfche. De eerfte is
de befte om dat zy onveranderlyk
zynde, nu en in alle volgende tyden
fteeds even behaaglyk zal
voorkomen. Daar de hedendaagfche
dagelyks verändert; zulks
’ t gene thans zeer fraai en beval-
lig geacht wordt, naauwelyks naa
’ t verloop eener eeuwe weer ver-
achtelyk en belachgelyk zal weezen.
Ten blyk hier van können
ja moeten die digtgelobde en wyd-
uytfteekendehalskraagen verftrekken,
welken ten tyde van den
Aartshertog Albert en zyne Gemaalin
Izabelle de Spaanlche deftigheyd
te hoof uytdrukten, doch
thans te tyd , en dus flechts naa
een verloop van omtrent ruym
honderd jaaren, het belachgelyk
optooifel van onze tegenwoordige
tooneelzotten zyn geworden. Het
zelve moet men zeggen van die
hooge kuyfmutfen of zoogenaamd
e , welken eertyds geene
mindere verdiepingen en inen
uytfpringende hoeken, dan de
beftgefterkte ftad van den befaamden
krygsvernufteling Koehoorn,
bevatteden. En het is hierom dat
de volgende penning.
welke ter eere van Hedwig Keur- midden der zeventiende eeuwe ge-
votftinne van Saxen, omtrent het maakt is , en toenmaals de pracht
T 1 1 van
■ti
fi
‘Sf
■ii
< il
sal
Ti
ä :
- ii
t e s i
’Ii!
ff • . •/ i
te