
" . Î 1
ÏN
'I
.4 i;:-
li
lyk de gulhartige Dirk ter Hoeven
metaalproever in ’s Graavenhaage,
alle voornaame liefhebbers en be •
zittcrs van die Vaderlandfche gedenkftukken,
ook het hunne,
door het fteeds geeven van vryen
toegang tot de zelven, mildlyk
hebben toegebragt : waarom ik
zoo voor my als in den naam van
alle deelneemende liefhebberen alhier
hunner gedachtig zynde uyt
diepe erkentenis myne l'chuldige
dankbaarheyd ter deezer plaatfe
heb willen betuygen. T e meer,
dewyl ik dat zwaarwigtig ondernome
penningwerk, onder Gods
milden zeege, met het eyndigen
des jaars zeventienhonderdzeftien
in twee zeer zwaare ftukken in folio
(gelyk men zegt) hebbe voltrokken.
Waarin volgens den draad der
gefchiedeniifen tuflchen de twee-
en drieduyzend Hiftoripenningen
waaren befchreeven, midsgaders
zoouytdebelluytender algemeene
en byzondere Hollandfche Staaten,
als uyt de nog overgebleevene he-
kelfchriften, lofdichten der eerfte
beroerten en plegtige inhaalingen
der Vorften, die my waaren in handen
gevallen, de duyftere zinnebeeiden
opgehelderd en ontknoopt.
Tot het drukken van dat werk
booden zich ftraks aan de twee
Schoonbroeders l’Honore en Châtelain,
beyden boekverkoopers te
Amfterdam, en aan wie ik ’t dan
ook by mondeling verdrag overliet,
onder voorwaarde echter dat de
Heer David van Hoogftraaten,
mids myne afweezigheyd, opzigt
over het drukken zoude hebben
, en zy alleen aan my twaalf
afgedrukte werken in erkentenis
by het uytkomen zouden fchen-
ken. Des wierdt de hoofdtytel,
verbceldende den afftand der
Nederlanden door Keyzer K a rel
aan zynen Zoon Philips gedaan,
ter oorzaake myn werk aldaar
zynen aanvang nam, door
den plaatfnyder Jakob Sphynvoet
gefneeden, ja zelf een blad tot
eene proef gedrukt: dan als ’er
ook omtrent ruym zoo veele penningen
in het koper gebragt waaren,
tot daar het werk van Bizot,
’t gene de aanneemers eygen was,
zynen aanvang neemt, bctuygden
die myn aangeftaan penningwerk
niet dan in de Franfche t.iale, en
flechts met zeer korte uyttrekfels
van myn wydloopigverhaalte willen
drukken, mids men voorgaf
dat die gefchiedeniifen in andere
voor de hand zynde boeken genoegzaam
gevonden wierden. Dit
deed, dewyl ik tot zoo zeldzaa-
men voorflag ganfch ongenegen
was, den reeds aangevangen arbeyd
ftaaken, en my nu weer op
vrye voeten ftaande tot myne
meerdere geruftheyd de krachtdaadige
voorrechtsbrieven der Staaten
van Holland op myn penningwerk
verzoeken, door dien men
voorgaf de uytgaave van het zelve
te zullen beletten, uyt krachte
van zeker voorrecht op het vermeerderde
penningwerk van Bizot
eertyds ver eend, niet tegenftaande
de daarin bepaalde jaaren reeds
verloopen waaren.
Deeze voorgevalle haspeling
bragt voorts nogte wege,dat ook
andere voornaame boekverkoopers
te Leyde, aan wie het werk
federt wierdt aangebooden, zich
tot het drukken niet min ongenegen
toonden. Tot dat ik door
dc tulfchenkomfte van den Eleer
en Meefter Kornelis Bakker, naamaals
Schepen te Amfterdam, met
de tegenwoordige drukkers in
’s Graavenhaage wegens het in
’t licht brengen van ’t werk
eens wierdt; die dan ook ftraks
eenen aanvang van het laaten
fnyfnyden
der plaaten maakten.
Aldus de helft der plaaten van
het eerfte deel reeds zynde gefneeden,
kreeg ik bericht hoe dat men
te Amfterdam niet alleen werklyk
bezig, maar ook vry verre gevorderd
was met het drukken van
eene Nederlandfche Penninghiftorie
; dierhalven «m den reeds zoo
ver voortgezetten arbeyd niet geheel
ondermynd te zien, midsgaders
de aanneemers voor de daardoor
gevreesde fchaade te dekken,
gefchiedde, gelyk ieder bekend is ,
de infchryving van drie deelen
myns meergemelden Penningwerks
: ’t gene, door de zoonu zoodan
immiddels toegevloeide gedenkftukken,
onder de hand en
ftaande het drukken tot vier deelen
is uytgedcyd.
Dit heb ik hier den leezer willen
melden, op dat die zich niet
verwondere, waarora de zelfde
zinfpreuk op den hoofdtytel, en
ook bynaar alle de zelfde penningen
in het begin van zeker in
( 0 Eipli-
cat. hift.
desprinc.
’t Franfch gefchreeve (i) penning- cat.^
werk gevonden worden; ’t gene Medaiiu'
achter de Nederlandfche hiftori Aniit. in
van den Heer Johan le Clerc, als
een aanhangfel, gehecht is.
A C H ^ T S T E H O O F D S T U K .
V A N 'D E
Tover- o f Çoedergekkpenmngen.
:ï W'
I ;ll
L.
.'■■■ L
m
T .
Deezen zyn zeer oud, maar dewyl
ze nog altemets gevonden
worden, vinde ik my verpligt,
van de hedendaagfche penningen
fchryvende, dierhalve ook iet van
deeze foort, te melden : op dat,
zoo ze iemand mogten in handen
vallen, hy wegens den zeldzaamen
opfchik van de daarop geftelde
verbeeldingen, zich niet behoeve
te verwonderen.
De Arabieren noemen dusdaanige
penningen Telefmat, de.Chal-
deen, Thalmanaja, de Hebreeuwen
Taraphim Hatalifmaoth, of
ook Schilden Davids, de Latynen
Amuleta Aftronomica ,àe. Spanjaarden
en Françoizen geeven ze den
naam van Taltfmans-. doch in
’tNederduytfch, dunkt my datze
niet beter dan Goedergelul- of To-
verpenningen können genaamd
worden.
Welke volken nu deeze foort
van penningen het eerft hebben
uytgevonden en in ’t gebruyk gebragt,
is even zoo onzeker, dan te
melden wie het eerfte geld zoude
gemaakt hebben. Aan de Hebreeuwen
echter fchynt men der
zelver oorfpronk het beft te können
toepaffen, dewyl by deeze
volken het eerft de natuur- en
ftarrekunde gebloeid heeft, wier
kennis zy by overlcveringe van de
Aartsvadercn, even gelyk ze die
weer van Noach ontfangen hebben
, aan wien ze de naakomelingen
van Adam te voore geleerd
ladden. Het is uyt deezen grond-
bron dat die natuur- cn fterre-
kundige kennis tot de Egyptenaars,
van die tot de Grieken , van deezen
tot de Romeynen , cn eyndelyk
weer van deeze laatften tot alle
de andere volken is afgedaald. En
zekerlyk dat de eerfte Aartsvaders
den Hemelsloop verftaan hebben,
Mm blykt
Ii 4 ^ 1 S