
Jlfit
I f
gekomenc toevallen niet zoodaanig
zouden hebben können worden.
Dewyl ik zelf nog over weynige
jaaren eenen aaneengeroeften
grooten klomp zilvereRomeynfche
penningen gezien heb, welken een
huysman , in de duynen achter
Waifenaar fpittende, in eene graau-
we aarde Romeynfche kruyk onder
’t zand begraaven vondt, doch wier
voor- en tegenzyden, als men den
famengehechten klomp verbrak,
zich insgelyks vaneenlcheydden,
invoege dat een aldus of op eene andere
wyze vaneengefcheyde voor-
of rugftuk daarom voor onecht
niet moet worden uytgekreeten.
Aangaande de voorzyden , van
welken ik hier handel, komen
twee zaaken, te weeten de borftbeelden
en der zelver bygeftelde
om- of randfchriften in aanmerking,
ter oorzaake op alle de
voorzyden een borftbeeld, o f ten
minfte een zinnebeeld dat vervan-
gende, binnen een geregeld omfchrift
, moet gefteld worden. Om
dit beter te begrypen dient men
aan te merken dat ieder penning
twee voorwerpen heeft ; waarvan
de gefchiedenis op het rugftuk,
doch het borftbeeld van den perfoon,
tot wiens eere de penning
gemaakt is, op de voorzyde geplaatft
wordt.
De liefhebbers der oude pennin- {,) li
gen verdeelen de borftbeelden (i)
in vy f onderfcheydene foorten. p’S-«.'
Onder de eerfte ftellen zy alle
de borftbeelden der onderfcheydene
Koningen.
Onder de tweede die der fteden .
het zy Griekfche, het zy Latynfche,
het zy die voor of naa de
grondlegging van ’t Romeynfche
Keyzerryk gebloeid hebben.
De derde foort is die der ftamhuyzen
van Rome, gemeenlyk de
Burgemeefterlyke genaamd.
De vierde die der Keyzeren,
Keyzerinnen en voorts van alle
anderen, die tot het Keyzerlyke
huys betrekking hebben:
En eyndelyk in die der Goden
door her blinde Heydendom in
verfcheyde fteden en plaatfen ver-
fcheydelyk gevferd en aangebeden.
Maar dewyl deeze verdeeling
meer volgens den onderfcheyden
rang der verbeelde perfoonen, dan
wel het onderfcheyd van de op de
penningen geftelde verbeelding,
waar van wy hier eygenlyk handelen,
gedaan is, zoo dunkt ’t my
beter, naa’t voorbeeld deezer drie
Romeynfche penningen,
die in drie onderfcheydene foor-1 ten te verdeelen; te weeten: in mivouvoud'tge
lopßukken, in
cn eyndelyk in zinnebeeldlyke ver-
heeldfekn , die de plaats van een
kop-of borftftuk vervangen.
De eerfte foort wordt tsri Kopfluk
genaamd, om dat zy niet anders
dan het eenvoudig hoofd en
den hals van den verbeelden perfoon
zonder eenige verdere byfieraaden
bevat ; even gelyk op de
voorzyde van den eerften der drie
hier voor ten voorbeeld bygebragte
Romeynfche penningen,
welke de beeldenis van Keyzer
Auguftus op die wyze vertoont.
En hoewel deeze kopftukken in
den eerften opftag vry eenvoudig
voorkomen, zoo laaten zy echter
niet naa van des onaangezien overdeftig
te weezen, te meer zoo zy
door de hand van eenen konftryken
ftempelfnyder zyn ontworpen
cn uytgewrocht , gelyk door de
voorzyde van deezen eenen penning
kan worden beveftigd, welke
volgens het ontwerp van de Hoogefchoole
der befchaafde weetenfchappen
te Parys, tot lofvan K oning
Lodewyk den X IV gemaakt
Daaren boven zoo is deeze foort
van Kopftukken op alle penningen
toepaifelyk , en zy bevat niets ,
’tgene ooit, wat voor eene tydftip
ook mag zyn uytgekoozen , met
de verbeelding van het ruggeftuk
komt te ftryden. En het is hierom
dat de meergemelde Hoogefchool
in Vrankryk op dc voorzyden
haarer ontworpene penningen in
den beginne altyd een dusdaanig
kopftuk en geenszins een borftbeeld
gefteld heeft.
Dan op ’t eynde van hun o-
verdeftig penningwerk , is zy ,
vau deezen zoo lang by haar
in gebruyk geweeft zynde grondregel
afgeweeken , als uyt den
volgenden penning is a f te meeten.
A
"■L
t -M
k
' m.
111
;4i d
G g g i Doch