
V O O R B E R I C H T .
f i 3:1
ì!l!i!'
I h
T‘ '
ri
V I
Om V
'verfier~
ken der
gebeuge-
»#.
die niet te gelyk de heden-
als een wis geneesmiddel te-
zyn geheugen beklaagt,
daagfche hiftoripenningen,
gen dat gebrek moet aanpryzen. Want de penningen
zyn der zelver beknopfte tafereelen, die ons de zaaken
verbeelden en des ook aan de zaaken doen gedenken.
E n wordt de zin der verbeeldinge altemets niet
dan met vry zwaare moeite achterhaald, die zal ook
des te langer in ons geheugen geprent blyven. Cicero
heeft tweemaal i n ’t doen zyner lofreden voor Pompe-
jus ftomgeftaan; ter oorzaake hy,volgens de hem eens
voorgeftelde gewoonte, zyne verdeelde redenvoering
aan deeze en gene voorwerpen, by ftukken, als te
pand, niet had toevertrouwd om, met zieh die voorwerpen
weder te herinneren, ook aan de daaraan toe-
vertrouwde zaaken ftraks gedachtig te worden. E n is
het hierom, dat by dit plaatslyk geheugen aanpryft;
wat zoude b y , die zoo groote liefhebber dier metaale
gedenkftukken was, in dat opzigt van de penningen
niet gezegd hebben ? Want wat is ’e r , ’t gene ons de
verbeelde zaaken beter kan in ’t geheugen brengen,
dan hunne welgefchikte verbeeldingen ? Dus ziet men
nietzoodra eenen penning of men wordt ftraks de zaak,
waarop by gemunt is, gedachtig. Want het is niet by
geval, dat men aan de penningen het te binnenbrengen
der voorleedene gefchiedeniifen, naar’t enkel welgeval-
len toebetrouwt en afvordert ; maar zy z yn , om aan
dat gewigtig oogmerk te voldoen, weezenlyk gemaakt
geworden.
N o g zyn de penningen te achten om dat z y dienen
zyflnk. tot eenen aanwakkerenden fpoorflag ter deugd. Op
de gerechts plaatfen ziet men altemets de afgryflykfte
overblyfiels der uyt de werreld geholpene deugdnieten,
ten anchrik van anderen, ten toon gefteld; maar’t is
op de penningen dat de deugdzaamen, door de verheer-
Jykte overblyffelen der vroomen, tot een gelyk lee-
vensgedrag worden opgewakkerd. De penningkaflen
^n die vertoonplaatfen, bier ziet men de deugd ter
daar de dapperheyd geeerd: gins weer de gelyk
zoo veele penningen,
zoo
V I I
hen iot
flag der
zyn
reye gaan
leerdheyd beloond
V O O R B E R I C H T .
zoo veele daartoe aanprikkelende fpoorflagen. Want
hoe verbafterd moet niet een gemoed zyn , ’tgene zoo
veele beloonde voorbeelden ter deugd en dapperheyd
aan de onftervelykheyd ziende toegewyd, om die loflyke
voorgangers van verre eenigszins naar te volgen,
niet eene vonk van gelyken aardt in zieh voelt ontglimmen.
'
Dan zoo alle deeze zamenloopende eygenfchappen
nog niet genoeg bequaam waaren, om iemand de ve-
reyfchte achting voor de hedendaagfche penningen te
doen opvatten; zoo zullen ten minfte die genen, welken
de hedendaagfche hiftorien beminnen, ook de penningen,
waarop zy met zoo groote zinrykheyd en konft
verbeeld ftaan, in waarde houden. Want t zyn deezen,
waarop als in metaale bladen de voorgevalle ge-
fchiedeniflen zeer beknoptlyk zyn te boek gefteld:
’t zyn deezen, die de wydluchtige befchreeve hifto-^
rièn beveftigen : ’t zyn deezen, die de twyfelachtigezaaken
ophelderen : j a ’t zyn deezen, die te gelyk en bet
verftand en bet oog verluftigen. Eyndelyk hebben
honderden van geleerde fchryvers de Oude penningen
aangepreezen, en heeft nog grooter getal bun ver-
maak gefteld om die met zeer groote kofte van alom
te vergaderen ; waarom moeten de laatere penningen,
die mede van geene minder waardy dandeOiHcn z yn ,
n ie t in s g e ly k s g e z o g t cii geacht worden. T e meer 5
dewyl, gelyk Bixot in het voorbericht van zyn m
’t licht gegeeve Nederlandfch penningwerk , zeer
welaanmerkt, onze hiftoripenningen niets pryzen dm
dc verdienften: daar integendeel de oude penningen dik-
wyls ook lof geeven aan zulke perfoonen, welken
dien onwaardig zyn. Antoaius noemt ’er de onkuy-
fche Kleopatra Godin; de fnoode Heliogabalus neemt
’er den verheven tytel van Heylig , ja ’t fchynt dat de
Ouden op hunne penningen de grove misdaaden en on-
geregeldheden der Tibeeren, der Kaligulaas en der Neroos,
zòo wel als de roemryke deugden van de Auguften
eiiTrajaanen met gelyk gevley, hebben willen ver-
eeuwisen.
* * Maar
V I I I
Zybe-
vatien en
de biflo-
rien.
t
i!
r j