
zins tot verächtinge des Keyzers,
op dien penning gefteld is. Hoe
T z y , want anderen hebben federt
tyds niet alleen die genen, welken
de af beeldfelen der Keyzeren
onteerden, maar zelf eenen Heer
( i) Kennis
der gedenkp.
pag.3ii.
C z V j w a i i c a n u c i c i i
dat gevoelen wederfprooken, dejmet de dood geftraft, welke door
Jefuit Jobert (i) vermeent dat zoo i T flaan van zynen flaaf dus onwee-
dees voorverbeelde penning al ! tende aanleyding gaf dat een Key-
zerlyke penning dien ongelukkigen
I 'TPriulfp n pn n eenige fchertfery bevat, dit een in fr Hipn o n a e lu lc k ieenig
voorbeeld echter het gevoelen
van die genen niet dient te
benaadeelen, welken ftaande houden,
dat de Ouden nooit fpotpen-
ningen gemaakt hebben; ten min-
fte dient het tot zoo zwak een
voorbeeld aan ons Chriftenen, dat
w y , die beley denis van de wet der
liefde doen, ons tot het maaken
van zulke eerroovende fchenftuk-
ken, by de Heydenen nooit, of ten
minfte maar eens gebruykt, geenszins
moeten laaten vervoeren. En
zoo T den leezer eens mogte ge-
luften alle de hedendaagfche Ipot-
penningen den eenen naa den anderen
, aan de reeds hiervoor ge-
geevene grondregelen te toetfen,
ik ben verzekerd dat hy niet dan
verachtlyke vindingen, gelyk aan
des maakers vergalde harfenen,
alom zal ontmoeten.
Vooral zyn deeze fchenftukken
verachtlyk, by aldien zy de gekroonde
hoofden aanranden, welken
om de hoogheyd hunner bedieningen
uyt de hand glippende op de
aarde viel; welke ftraf zal men dan
de zoodaanigen opleggen, welken,
wel ver van door onacht-
zaamheyd de penningen der Vorften
flechts te doen op de aarde
vallen, nu zelfs de ftoutheyd hebben
van der zelver eer en faam,
die den geringften fterveling her
dierbaarfte en waardigfte van alle
fchatten moet zyn, op hunne in
’t licht gegeevene fpotpenningen
zoo voorbedachtlyk te fchenden
en fteelen ? Immers geene eyge-
ner of rechtmaatiger dan des maakers
naam op zyne eyge gemaakte
fpotpenningen te ftellen; welken
dan, zoo lang zy in weezen zullen
zyn, ook des zelfs zoo doemwaardig
gedrag, te gelyk met de
bcwysftukken alom zullen bekend
maaken, en eeuwig doen afkeuren
en verfoeijen.
By voorbeeld wat kan ’er haat-
lyker voor eenen Vorft dan dees
penning voorkomen, welke op
eene zoo faamroovende wys tot
fchimp van Willem Prins van OWant
Heylig , dat is Onfchenbaar,
by ieder geacht wor- ...h „ invm ^ ....j
den: en diensvolgens boven h e t ' ranje gemaakt is , alswanneer h y ,
b e r e y k aller eerquetfmgen behoor- naa de vlugt zyns Schoonvaders,
den te weezen. En heeft men eer- ' den Britfchen troon beklom.
hy verbeeldt op de eene zyde een veelhoo fdig g e d r o g t ,
T g e -
P E N N I N G K U N D E . I l l Deel: X I I Hoofdfl.
’ t g en e , naa het vertreeden van
’ t zwaard en de weegfcha al des gere
ch ts door geweld z ich van de
K o n in g ly k e k roon meefte rmaakt,
waarom in den bovenrand ft a a t :
N U M E R O , N O N J U R E ,
V A L E B A T .
H r O F E RMO G T DOOR H E T G E T
A L , N I E T DOOR H E T
RECHT.
Datis,hy bekwam de kroon niet i
volgens erftecht,maar door’t groot
getal zyner aanhangeren, van
welken dit veelhoofdig gedrogt
het zinnebeeld is. Voorts leeft
men in den benedenrand;
A N N O N O V I D O M IN I
P R IM O .
I N ’T E E R S T E J A A R F A N D E N
n i e u w e n h e e r .
Op de andere zyde ftaat op eenen
ronden bol, door welken eene
Hang kruypt, een wandrogtig
beeid met een dubbel hoofd, wiens
eene helft een zwynskop, zynde
het zinnebeeld der wreedheyd,en de
andere helft des nieuwen Konings
aangezigt verbeeldt. Met de eene
hand houdt het eene byl naar
den Tour van Londen, waarby
ftaat 1684 het fterfjaar van den
onthoofden Monmouth betekeneu-
de; doch in de andere hand eene
kroon naar een Vorftlyk h o f met
hetjaar 1689 beftempeld, zynde
de tyd wanneer de Prins van Oranje
tot de Engelfche kroon wierdt
geroepen. Het randfchrift is :
I L L E C R U C E M , H IC D IA D EM A
T U L IT .
D I E H E E F T HE T KRUT S ,
E N D E E S DE KROON B E KOMEN.
T e weeten om een en het zelfde
fihelmfluk, met naar het ryksgebied
te ftaan, gelyk de fchimpdichter
Juvenalis opzingt , uyt
wiens dertiende (i) liekeldicht, (6
deeze ipreuk ontleend is.
Onder het getal der fchimppen-
ningen dunkt my dat ook de zulken
niet ten onrecht verdienen geplaatft
te worden, welken, hoewel
zy geenszins uyt hunnen eerften
aardt zoodaanig zyn, echter
om hunne onbefchofte verbeelding,
die verachtlyke hoedaanigheyd
aanneemen. Ieder weet dus
hoe gemeen het thans is op de
rugzyden , een haanen- hennen-
honden- of leeuwengevecht te verbeelden
, zonder dat nogthans die
laffe zinnebeeiden, ter oorzaake
zy geenszins die vereyfchte grootsheyd
bezitten, daarom tot nogtoe
onder den rang der fpotpenningen
door iemand geplaatft zyn,
het ’en waar de onbefchoftheyd
zyner verbeeldinge zelve , als by
voorbeeld op deezen Deenfchen R'g- o»”-
( i) penning, pcnn.ij.
X x x daar-
■Í r
' 1 : "
I
*r