
z6o H E D E N D A A G S C H E
preeze kleeding mag gebruyken;
want liet zoude, by voorbeeld,
niet gevoeglyk zyn, zoo iemand
de landing van den Prins van
Oranje, in ’t jaar zeftienhonderd-
achtentaclitig in Engeland ondernomen,
op een rugftuk verbeel-
dende, hy daar geene andere dan
Romeynfche krygsknechten deed
te land Happen, en waarom ook
zoodaanige zaaken nooit op eene
tenvoudige wyze moeten verbeeld
worden, echter is' het zeker dat in
alle verbeeldingen, daar men de
oude kleeding met eenige welbe-
taamelykheyd maar kan gebruyken
, die fteeds voor de hedendaagfche
te ftellen is , mids z y , gelyk
van de borftbeelden reeds aangetoond
is , ook de verbeelding der
ruggeftukken fteeds bevalliger zal
doen voorkomen : als door het
onderfcheyd deezer twee penningen
wordt beveftigd.
Op welken , hoewel beyden, te
weeten de eerfte op de inhaaling
van Chriftiaan den IV Koning van
Deenemarke te Koppenhaage, en
de tweede op die van den Britfchen
Koning Joris den I te Londen gemaakt,
men echter geen kleyn
verfchil gewaar wordt. Want hoewel
men op den tweeden den Eiigel-
fchen Koning op eene zeegewa-
ge zittendeh eenvoudig vertoond
heeft, zoo zal nogthans, mids die
naar de wyze der Ouden toegefteld,
en de daar op gezete Vorft ook in
Romeynfche kleeding verbeeld is.
zoonu als naamaals dc zelfde deftigheyd
behouden. Daar integendeel
de verbeelding van den eerften
reeds van die voorheen bezee-
te eygenfchappen zoodaanig onzet
en beroofd is , dat men de
kleeding van de vier aldaar verbeelde
Hoofdedellieden des Deenfchen
ryks eer voor een bequaam
optooifel onzer hedendaagfche
klugtfpelen, dan overeenkomftig
met de grootsheyd dier Koninglyke
inhaalinge moet befchouwen.
Het zelve is men ook verpligt van
de door hen getorfte zonnefcherm
P E N N I N G K U N D E . I l l Deel: X I Hoofdß. itfi
te zeggen, als welke van een oud en
uytgediend ledekant fchynt ontleend,
en op eene zoogenaamde
luyzemarkt, o f het een o f ander
weeklykfch boelhuys gekocht te
zyn. Het zelve heeft ook plaats
in oneyndige andere in vroegeren
tyd gemaakte ruggeftukken, op
welken de aldaar verbeelde perfoonen
en byfieraaden naar ’t gebruyk
dier tyden zyn toegefteld.
Dan hoewel de oude kleedy aldus
boven de hedendaagfche, volgens
deeze en andere veelvuldige
voorbeelden, zonder tegenfpraak
den voorrang heeft, zoo zou nogthans
der zelver gebruyk op alle
eenvoudige ruggeftukken weer ten
hoogfte te laaken zyn, op welken
men zieh verpligt vindt eenige
kerkplegtigheden van den tegenwoordigen
Godsdienft verbeelden.
En het is hierom dat dees penning.
Welke wegens het openen van de
bekende jubelpoort te Rome in’t
jaar zeventienhonderd ter eerevan
den Kardinaal van Bouillon aldaar
gemaakt is , te recht hem zoo op
de voor- als tegenzyde nevens de
overige hem onderfteunende Geeft-
lyken in hunne gewoonlyke plegtgewaaden
verbeeldt.
En zekerlyk dit gezegde is zoo
klaar , dat de minft ervaare
kladfchilder als onhebbelyk zou
afkeuren, by aldien iemand, in
den zin fchoot eene Godgewyde
maagd als eene Veftaalfche Non,
o f eenen Priefter, Predikant o f Dia-
ken, als eenen Offerpriefter of
Flamen der Ouden te vertoonen.
Op alle zinnebeeldlyke ruggeftukken,
want het is van deeze
ibort dat ons nog overig was te
handelen, wordt de oude kleedy
meer dan ergens anders vereyfcht.
En zekerlyk hoe belachgelyk zou
het niet zyn', byaldien iemand,
by voorbeeld, Merkuur , Pallas
o f eenige andere Godheyd der Ouden
met een bootsgezelle kolder,
en broek o f andere hedendaagfche
kleedy verbeelde, even gelyk men
dat op verfcheydene hedendaagfche
gedenkftukken en onder anderen
op de eene zyde van den hiervoor
bygebragten penning van den
Deenfchen Koning Chriftaan den
IV gedaan vindt:want daar ziet men
Pallas met eene gepluymde muts o f
hoed, en een lyfkoldertje met
korte fchooten op eene wyze verbeeld
, welke geenszins by de Ouden
bekend geweeft en des ten
hoogfte te laaken is. Beter dierhalven
vindt men de zelve Godin
op de rugzyde van den vollenden
Zweedfchen penning ge-
deed.
V v v Ter
111H
: Mii
Fi
' ’ iiii *
T
te