
gen zou vermoogen te brengen:
maar ik meen dat het bynaar onmoogelyk
is eene zoodaanige
fpreuk te vinden; welke, behalven
haare kortheyd, daarenboven
de verdere vereyfchte eygenfchappen
bevat, die in een goed
opfchrift vereyfcht worden.
Uyt dit gemelde kan men afwel
geene dichtregels v.inde voorgemelde
puykdichters, maar die
van den penningmaaker zelf geplaatft
worden: even als op de
eene zyde van den volgenden penning
gefchied is, welke in T ja a r
zeftienhonderdeenenveertig , wegens
het huuwelyk van Willem
en I I Prins van Oranje met Maria
meeten wat men van die pennin- Dochter van Karel den I , Koning
gen moet oordeelen , op welken van Grootbrittanje, gemaakt is.
Want hierop leeft men nevens
de twee Vorftlyke perfoonen, die
in hunne ouwerwetfche kleeding
tot meerder fteraad verbeeld zyn,
in de plaats van een kort en deftig
opfchrift, ter wederzyde deeze vier
langwylige en laffe dichtregels.
A L B IO N U M G E N U IT R E X M E ,
SU M M U SQ U E M O N A R CH A
C A R O L U S , E T S P O N S A M ME
j u b e t e s s e T U AM .
P R IN C E P S M E H E N R IC U S G E N
U IT FORTISSIMUS HEROS
N A S S O V I ; ® , E T SPONSUM ME
JU B E T E S S E T U U M .
Welken men in het vermeerderd
penningwerk van Bizot aldus vertaald
vindt:
DAPPERE MONARCH, VOR S T
K A R E L F A N J S R I T T A N J E
MTN F A D E R , ZOO FERMAARD
DOOR KONINGLTKE DEUGD,
IVI L D A T I K B EN UW’ BRUTD,
O W I L L EM V AN O R A N J E ' .
t o t B E T D E R S T A A T E N NUT
E N O N D E S L I N G E VREÜGD.
U KONINGLTKE BRUTD, DE DOCHT
E R VAN B R I T T A N J E
G E B I E D T MTN V A D E R M T TE
B I E D E N A A N MTN' H A N D
DES KLO E K E N HENDRIKS ZOON,
' T AFBEELDSEL VAN ORANJE
FREDRI K ,OP'SVADERS LAST, TOT
'SHUUWLTKS QNDERSTAND.
Het welke veel eer eene gehoude
famenipraak, dan een beknopt
opfchrift eens pennings is :
De tweede eygenfchap van een
omfchrift is de deftigheyd; die gelyk
in de verbeelding, het zy die
eenvoudig het zy die zinnebeeidig
is, zoo ook in het ophelderend
byfchrift met eene verwonderens-
waardige grootsheyd moet uytmunten.
T Is deeze, die den ontworpen
penning eene zekere achtbaarheyd
byzet,en welke men alom
op die der Romeynen met eenen
zonderlingen luyfter ziet uytmunten.
Dus vindt men op de rugzyde
van den eerften der twee volgende
penningen,
alalwaar
de Keyzer Hadriaan met
de hand eene neergeknielde vrou
opheft, die aldaar het zinnebeeld
der werreld is en des ook den aard-
kloot op haare knie houdt, dit
overdeftig randfchrift gefteld:
R E S T I T U T O R I O .R B IS T E R -
R A R U M .
A A N D E N H E R S T E L L E R D E S
A A RDK LOOT S .
Desgelyks leeft men op de rugzyde
van den tweeden, die ter eere
van Nerva gemaakt , en met
eenen palmboom het zinnebeeld
van T Joodfche land beftempeld is,
deeze korte doch grootfche in den
rand geftelde byijareuk:
F I S C I JU D A IC I C A L U M N IA
S U B L A T A .
D E L A S T E R I N G D E R J O O D -
SCHE S CHATKI S T E WEGGENOMEN.
Want het inzamelen van het
hoofdgeld op alle de befneedene
Jooden voorheen gefteld, was
ftaande de regeering van Keyzer
Domitiaan tot die Ipoorloosheyd
cip.iz. gefteegen, dat ons Suetonius (i)
getuygt, hoe hy nog een aanko-
mende jongeling zynde gezien
heeft eenen ouden man van negentig
jaaren, welke om de opgeftelde
fchatting te ontgaan zyne
afkomft ontveynsde, door den
fchattinggaarder aangrypen en
door eene groote meenigte volks
befchouwen o f hy befneeden waar
o f niet. Invoege deeze fchande-
lyke afperfing door dien Keyzer
met recht wierdt afgefchaft, en
dus gelegenheyd tot het maaken
van deezen overdeftigen penning
gegeeven.
En zekerlyk, wat achting kan
ik voor een ruggeftuk hebben,
wiens verbeelding hoewel grootfch
en verheven , echter met een
byfchrift van zoo laagen ftyl en
veraciitlyke ftraattaal beftempeld
is, dat het daarop affteekt, als
een verfleete boordfel op een nieuw
en deftig kleed, en dus, welver
van het den vereyfchten luyfter
by te zetten, integendeel des zelfs
deftigheyd, welke het zinnebeeld
uyt de natuur heeft, komt te verdooven.'
By voorbeeld :
Wat deftigheyd, bequaam om de eenvoudige verbeelding van het
O o o rug