
j
21^, H E D E N D A A G S C H E
ders by Steenkerke bevochten ,des recht in het harnas en met eene
Franfchen Konings borftbeeld te lauwerkrans verfierd heeft.
Zynde echter aan den anderen
kant in de verbeelding vau dit
borftbeeld te laaken, dat het met
de flinker wang naar buyten en des
met de rug naar de verbeelding
der tegenzyde gekeerd is. Dierhalven
zoo moeten, als eene ftaale
wet, op de voorzyden fteeds en
altyd de daarop geftelde Kop- en
Borftftukken de rechter wang naar
buyten en dus het gezigt naar de
verbeelding der rugzyde gekeerd
hebben. Integendeel zoo de rugzyde
ook cen Kop- of Borftftuk be-
vat,zoo dient noodzaaklyk des zelfs
flinker wang, naar den befchouwer
gekeerd te zyn: want zoo de beeldenis
andersom, als op den eerftvol-
genden penning, gefteld waar, zoo
zal men noodwendig den man, naar
de wyze der lyfknechts , zyne
Gemaalin zien achter naavolgen.
Het wanftalligfte echter van alien
is, wanneer de borftbeeldenis
der
P E N N I N G K U N D
der voorzyde met de flinker en die
der rugzyde met de rechter wang
naar buyten gekeerd is , even als
op den tweeden der voorverbeelde
aenningen gedaan is. Want hoewel
. ly op het huuwelyk van den kroon-
prins van Pruylfe met de Dochter
van den Hertog van Bronswyk Lunenburg,
en dus als de liefde in haare
grootfte kracht was, gemunt is,
zoo zyn echter die twee Vorftlyke
aeribonen daar door zoodaanig ver-
Jeeld, dat men zou können twyfelen
, o f zy niet nyt onderlingen
haat der ruggen, om elkanderen
niet te zien, naar den anderen
gekeerd hebben.
E. I I ID e e l: VHoofdfl. a iy
Om de zelfde rede moet ook
de zelfde grondregel worden inachtgenomen
, als niet alleen de
voorzyde alleen m.iarook de voor-
eu tegenzyde ieder in het byzonder
meer dan cen borftbeeld o f
kopftuk bevat, gelyk men dat op
de twee volgende penningen zeer
wel vindt te zyn inachtgenomen ;
want hoewel op den eerften vier
onderfcheydene beeldeniifen gefteld
zyn, zoo hebben zy echter
allen de oogen naar de rugzyde
gekeerd, even gelyk ook die van
den tweeden, wiens eene en .andere
zyde met twee borftbeelden
beftempeld is. I A
. t' ■
Gelyk ’ er niet alleen verfcheydene
penningen tot lof van zeeke-
re perfoonen, maar ook altemets
tot die van verfcheydene Koningryken,
Vorftendommen , Vryeftaaten
, fteden, Hoogefchoolen,
en andere lighaamen en genootfchappen
gemaakt worden, welken
door geene kopftukken o f
borftbeelden op de voorzyde der
penningen können verbee d worden
, zoo heeft men de konft daarin
te hulp genomen, met in de
H h h 2 ken I
plaats van door kop- o f borftftuk-