
J
Ter oorzaake het voorbeeld der
Ouden zeer wel is naagevolgd, en
des de kleedy onder anderen met
die bevallige losheyd toegefteld,
dat zich alle de voornaamfte hoog-
felen en diepfelen der gewrigten,
van de twee daarop geftempelde
Godheden aan het gezigt vertoonen.
Daarenboven zoo moeten
ook die aanlokkende, en de tegen
den anderen aanwerkende bewee-
ging der ledemaaten worden inachtgenomen
, welke men in de
uytmuntende ftandbeelden der Ouden
alom gewaar wordt, en waarom
zy niet minder, dan om der
zelver volmaaktheyd door de
konftkennende liefhebbers met
recht geacht worden, dewyl de
afgerechte Ouden zich geenszins
voldaan hielden met flechts
een beeid naar ’t leeven gemaakt
te hebben, maar ieder lid wierdt
door hen , niet gelyk het in ’t leeven
waarlyk was, maar op die wyze
toegefteld, zoo als het om volmaakt
te zyn, diende gevormd te
weezen.
T W A A L F D E H O O F D S T U K .
Van de Scbimp-of Spotpenningen. ' '
EEn Spotpenning is niet anders
dan een zoodaanige,welke, in
de plaats van tot eer van den daarop
verbeelden perlbon , integendeel
tot des zelfs oneer, fchimp en
fchande gemaakt is , en des niet min
door de onbefchoftheyd der opge-
ftempelde verbeelding dan door de
fcherpheyd der bygeftelde zin-
Ipreuken het quaad beftraft, de
gebreken ten toon ftelt , ja zelf,
T gene echter te wenfchen waar
dat nooit gefchiedde, altemets zelf
den goeden naam van eenige hen
in het oog loopende perfoonen, op
eene niet min fchandlyke dan on-
rechtvaardige wyze bekladt, en
dus te gelyk’ door de bitterlieyd
dier uytgedachte verbeeldingen
de nog grooter doe'mwaardige bit—
terhèyd van des uytvinders gemoed
overvloedig ten toon ftelt.
En dewyl deeze haatlyke ge“
denkftukken aldus tegen het ey“
rcnlyke oogmerk, te wbeteff de
ofsvereeuwiging van een daarop
verbeelden perfoon, rechtsdraad
aanloopen , ' zòo is ’er dierhalven
geen kleyn gefchil onder de oud-
heydkundige' liefhebberen' of'fof
ooit zoodaanige faanirò'òvende
penningen doorde oude Romeynen
zyn gemaakt geworden. De Heeren
(i) Spanheym en (2) V.iillant,
bey-
( i) Les
Cæfirs de
l ’Emp.
Julien,
pag. 103.
&dins i «
additions
(2)Nuin.
ær. Imp.
A u g.&
CæC&C,
tom. 11.
ttooii.. 3388 1.
Amll.
p e n n i n g k u n d e . l l ID e e h X l IH c
beyden aan de geleerde werreld
zoo bekend door hunne in ’t licht
gegeeve overdeftige penningwer-
ken,meenden van ja , en dat door
deezen zeldzaamen penning van
263
Keyzer Gallienus te können bewyzen
, welke althans in de
weergaalooze penningkafle van
den Franfchen Koning gevonden
wordt.
Mids op de eene zyde rondom
zyn bekranft kopftuk een vrouwe
naam van g a l l i e n a e a u g u s
t a e , en op de tegenzyde de
gevleugelde Overwinning eene zee-
gekar voortdryvende, binnen dit
randfchrift j gezien wordt:
U B IQ U E P A X .
ALOM F R E EDE .
Daar nogthans ten tyde van
Gallienus, volgens de getuygenis
van T . Pollio,het ryk door omtrent
dertig dwinglanden wierdt vaneen-
gefcheurd, en die Keyzer, wel ver
van ze op eene moedige ’wys het
hoofd te bieden, des daags zynen
tyd in ’t gaftreeren,drinken, enhet
bywoonen der baden , en des
nachts in vrouwlyk gewaad en het
pleegen van allerhande wulpshe-
den nutloos verlleet; zulks pm dit
verwyfd gedrag dees vrouwlyke tytel
op de voorzyde, en, mids te zelven
tyd het oorlogsvuur door omtrent
dertig opgeworpene dwinglan.
den alom ontftooken eridus ftrafloos
het ryk verwoeft wierdt, ook het
zinnebeeld van den algemeenen
vreede op de tegenzyde fpotswyze
zoude gefteld zyn. Dan de Abt
Vallemont heeft in eenen zeer
(P N o n - wydluchtigen (i) brief, dien hy
Kim'mI deswege aan den Raadsheer Gue-
ipa'ris” negaud des Brofles zondt, met
1699. in s. zeer veele geleerdheyd beweerd,
dat de opgeftelde vrouwennaam
van zekere Galliena, ’s Keyzers naabloedverwante
(2) was , welke den
in Afrika opgeworpen Tegenkey-
zer Celius op den zevenden dag
naa zyne verheffing v a n ’t leeven
beroofde, en diensvolgens dat
Keyzer Gallienus dien naam van
eene hem zoo getrouw zynde
Bloedverwante, naar het (3) voorbeeld
van andere Romeynfche
Keyzers, op zyne penningen met
reclat uyt diepe erkentenis van
zoo zonderlinge weldaad gefteld
heeft. En dewyl dit volgens de
tydsrekening van den Graaf Mez-
zabarba (4) in ’t jaar twechonderd-
drieenzeftig naa Chriftus geboorte
voorviel, alswanneer zyn Bevelhebber
Marciaan de Gotten ver-
floeg, en eerlang zelf opgeftaan
zynde nevens zyne kinderen (5)
om T leeven raakte; midsgaders
dat men den opgeworpen tiran
Baliftus uyt Emeze niet alleen ge-
boeid zag naar Roniefleepen, maar
den weerfpannig geworden Emi-
liaiius in Egipte door zyne benden
verftaan, ja dat Gallienus zelf
niet min Pofthumus op de vlugt
bragt dan Byzanfe ftrafte, terwyl
zyne benden het in Azie gevallen
heir der Scyten verfcheydene maalen
floeg, zoo vermeent die geleerde
fchryver dat de voorverbeelde
algemeene vreede, mids de
ruft aan de meefte oorden des ryks
door die behaalde overwinningen
herfteld was, niet zonder rede
in dien tyd (6) tot lo f en geens-
V v v 2 zins
(1) Nouvelle
ex-
plic. &c.
pa§.33-
(3) Nouvelle
ex-
plic. &c.
pag. 48.
49. so- 5 1; S€sir
(4) Noui velie ex.
pjjc.&re.
pag. S4-
(?) Nouvelle
ex-
plic. 8cc.
pag. 5 s ,
(61'Nod;
velie e s pile.
&c.
pag ¡8 .
: i
I
-it
.t:
; !
t e