
lijkheid hiervan af, dat de vloed, tegen den noordclijken
kant aanstootende, denzelven afgeslepen en alles, waar-
over de in het water gemengde steenmassa’ s heLi ging
en , gegroefd heeft, maar dat hij loodregt over de
steilte aan de zuidzijde is afgestort. Dit verschil Huschen
de twee zijden der bergen is , mijns erachtens, een
afdoend bewijs tegen den oorsprong van dit verschijnsel
door gletschers'
Tot dezeverschijnsels behoort nog een ander, wel niet
algemeen , maar toch juist niet zeldzaam uitwerksel van
den vloed, ’tw e lk onze bergen aanbieden, namelijk de
reuzenketels (jättegrytorna). In d ezen, naar beneden
stortenden geweldigen vloed, ontstonden hier en daar
sterke draaikolken, waarbij de steenen, die door den
draaikolk omgevoerd werden, zieh in den grond boor-
den en ronde holen vormden van eenige voeten wijdte
en gewoonlijk tweemaal zoo d iep , in welke m en , wan-
neer zij door menschenhanden niet zijn aangeroerd, gewoonlijk
eene menigte rondgeslepene steenen op den bodem
vindt lig g en , bedekt met het water en den veengrond,
die het hol later hebben opgevuld. Twee zulke reuzenketels
zijn onlangs in hunnen oorspronkelijken toestand,
door den BaronLÖ w e n , diglbij Stokholm ontAekt, welke
zieh op Hästholm bevinden, waarheen wij ons met eene
boot kunnen begeven om z e , zoowel als derzelver voor-
maligen inhou d, in oogenschouw te nemen.
Het zal Prof. s e f s tröm en mij een bijzonder genoe-
gen zijn zo o , gedurende ons kort zamen zijn, diegenen
van onze vereeniging, die in eene naauwkeuriger on-
derzoeking der hier vermelde verschijnsels belang stellen,
willen toestaan, dat wij hunne geleiders zijn op körte
uitstapjes naar de aan ons bekende plaatsen, waar die
verschijnsels zieh het duidelijkst vertoonen.
Bijlage C.
GESCHIEDKUNDIGE ZAMENSTELLING
VAN HETGEEN ER SEDERT HET
BEGIN DER VORIGE EEUW TOT NU TOE VERRIGT IS VOOR DE
THEORIE VAN HET AARDHAGNETISHUS,
DOOR
prof. HANSTEEN.
Eindelijk heeft de Studie van het aardmagnetismus de
opmerkzaamheid erlangd, welke zij verdient. In de voor-
rede voor mgne onderzoekingen over het aardmagnetismus,
uitte ik voor omstreeks 25 jaren de hoop «dat
wij, wanneer de Regeringen van magtiger volken zieh
wilden vereenigen om de noodige waarnemingen te laten
in het werk stellen en de wiskundigen om deze waarnemingen
te bearbeiden, waarschijnlijk in een paar decen-
nien de tot nu toe onverklaarbare magnetische verschijnsels
des aardbols aan eene even zekere berekening zouden on-
derworpen z ien , als de bewegingen der hemelligcbamen.»
Deze hoop schijnt hare vervulling te erlangen. Het zal
daarom misschien niet van belang ontbloot zijn , een’
blik te sla an, zoowel op ’t geen reeds verrigt i s , als op
hetgeen nog te wenschen overig blijft.
De engelsche sterre- en wiskundige edmund haluey
8