
oordeel te veilen, zou men langer in het land vertoefd
moelen hebben en meer mqt personen van allerlei standen
in aanraking moeten geweest zijn, dan met mij het
geval was. Wanneer men de Zweden , ora hunne be-
schaafde manieren, de Fransclien van het Noorden ge-
noemd heeft, dan geldt dit zekerlijk toch wel vooral van
de meer aanzienlijke standen, en het meest van de inwo-
ners der boofdstad. Voor ’toverige is het een verkeerd
begrip, wanneer men meent, dat hier de navolging van
het vreemde zieh ook tot de taal uitstrekt. Ik heb vele
der aanzienlijkste mannen en vrouwen in gezelschap zieh
altijd van de landtaalhooren bedienen, en de Kroonprins
zelf sprak in gezelschap met Zweden steeds Zweedsch.
Wanneer een nieuw Engelsch reiziger ( l a i s c ) het den
tegenwoordigen Koningten laste legt, dat hg de landstaal
niet spreekt, zoo vergat hg , dat deze Koning reeds niet
jong meer was , toen hij Kroonprins werd , en de Fran-
schen tot het aanleeren of allhans het spreken van eene
vreemde taal minder geschiktheid hebben , dan vele andere
.volken. Ook voegt dit verwijt wel het minst in den
mond eens Engelschmans. Engelschen doorreizen vaak
Europa van het eene eind tot het andere , zonder eenige
kennis der verschillende talen mede te brengen of op de
reis op te doen. Ik herinner mij, als zeer kenschetsend
voor het volkskarakter , dat ik eenmaal eenen Engelschen
natuurkundige, die jaren lang in Nieuw-Holland had
doorgebragt, naar de talen der inboorlingen vroeg, en
van hem geen ander antwoord bekwam , dan dat hij er
niets van wist, maar alleen verzekeren k o n , dat de wilden
vrij gemakkelijk het Engelsch aanleerden. De koning
möge Fransch spreken, zulks is op het hof zeker van
beperkten invloed; en de Duitsche Vorst, die aan een
Duitsch hof Fransche geleerden r ie p , de door velen als
model van een’ vorst beschouwde f r e d e r i k I I , heeft
zeker een grooter aantal van zijne hovelingen enaanzienlijken
Fransch doen spreken, dan Koning k a r e l j a kl-
Wanneer die zelfde, straks genoemde, reiziger van
den zedelijken toestand der Zweden een zwart tafereel
ophangt, dan ben ik zeker wel niet in Staat, door slatis-
tieke opgaven zijne verzekeringen te weerspreken; maar
er is slechls eene oppervlakkige lezing van ?gn werk
noodig, om te zien, dat het denkbeeid van politiekein-
rigtingen, die hem niet bevallen, op zijne beschouwings-
wijze den grootsten invloed gehad heeft. Hij verwacht
alles van eene Constitutie en van sociale inrigtingen, die
met de Engelsche overeenkomen, en omdat hij dezein
Zweden niet vindt, daarom kan volksbeschaving en ver-
breiding van onderwijs , die hij aan Zweden niet onlzeg-
gen kan, geene vruchten dragen. Ik gevoel geene de
minste neiging om zoo exciusief te zgn. Valt er in den
zedelijken toestand van Zweden, zoo als in dien van alle
landen van E u r o p a , veel te berispen, het kwadeis zeker
met veel goeds gemengd. Dat de geestelgke stand, door
eene zonderlinge halve hervorming, in hoogeve betrek-
kingen veelal eene sinecure i s , geldt even zoozeer van
En g eland als van*Zweden. G u s t a a f w a s a ging bij
de invoering der hervorming met zeer veel behoedzaam-
heid te werk , en , door vele kerkgebruiken te behouden,
was Zweden hervormd, zonder het bijkans te weten. In
de eerste tijden was de onkunde onder de geestelijken
daardoor ook somtijds verbazend, gelijk men verhaalt
van eenen, die meende, dat men zieh met het Oude
Testament niet moest bezig houden, omdat het toch bij
den Zondvloed vergaan was. Daar nu nogde waardigheid
van Bisschop dikwerf aan geleerden gegeven wordt, die
zieh vroeger met geheel andere Studien dan diederGod-
geleerdheid bezig gehouden hebben,o o o | en eene belooning
is voor beroemde mannen, zoo kan ook de godgeleerde
wetenschap in Zweden niet bg allen die voortgangen ma-
ken , welkein andere hervormde landen , in Duitschland