
den door hem juist is waargenomen, en dat al de daarin
voorkomende steenen afgesleten en gerond zijn. Hy
vermeldt een walvischs-kelet, ’twelk gedurende zijn op-
onthoud te Upsal, in fVester G otliland gevonden , enaan
den daar zijnden Professor e o b s r g bezorgd werd, om
in het Ontleedkundig Kabinet der Hoogeschool bewaard
te worden. Hij vermeldt een wrak van een schip, diep
landwaarts in , bij opgravingen aangetroffen enz. i).
Een paar tiental jaren na het geschrift van s v e d e n -
b o r g , deelde de astronoom A. c e l s i u s eene Verhan-
deling mede over de waarnemingen, die hij dienaan-
gaande verzameld had en zijne beschouwingen aangaande
het zinken der zee, waartoe hij meende, dat zij aan-
leiding gaven. Deze Verhandeling werd geplaatst in de
geschriften der Zweedsche Akademie voor 1743.
Van dien tijd af werd het onderzoek opgevat door eene
memgte Zweedsche Schrijvers. v. D a l iw, v. l i n n e ,
W A L L E R I U S , K A L M , C f l T D E R I A S , H A R L E M A N ,
H A S S E L Q U I S T , G l S S L E R , F E R N E R e n V. H E L -
l a n d t verme'erderden en versterkten de opgaven van
c e l s i ü s , welker gegrondheid daarentegen bestreden
werd door r i c h a r d s o n , g a d o l i n , h o f , björ-
N E R , M E L A N D E R , R U N E B E R G , E S T L Ä N D E R , B E R G
en b r o v a l l i u s . De een en ander van de laatstgenoem-
den namen hunne tegenbewijzen van waarnemingen in
Schonen 6n het zuiden van H o lla n d } waartegen zelfs nu
geene tegenwerping kan worden ingebragt.
Geen dezer Schrijvers, behalve s v e d e n b o r g , had
zieh met eigenlijke Geologische onderzoekingen bezig
gehouden : het onderwerp werd geschiedkundig en
aardrijkskundig behandeld ; men zag daarvan geene oor-
zaak i n , dan dat het water aliengs in hoeveelheid af-
1) Hij heeft deze waarnemingen in eene lalijnsche vertaling mede-
gedeeld in zijne Miscellanea circa res naturales, Lipsiae 1722.
nam, hetwelk aan de geheele vraag den naam gaf van
de theorie der waterafneming. Maar bij de beproeving
om te vinden, hoe de zoo aangenomene oorzaak moge-
lijk was, doen zieh zoo vele physische onmogelijkheden
op , dat, terwijl men de zekere waarnemingen vermengde
met veronderstellingen aangaande derzelver oorzaak, er
zieh over het geheel een nevel van dubbelzinnigheid ver-
breidde, die lang daarop bleef rüsten.
Lin nae u s , die op zijne reizen in verschillende gewesten
van Zweden, gelyktijdig met A. Cels ius waarnemingen
maakte, die voor het zinken des waters spra-
ken, droeg zijne meeningen dienaangaande in eene Akademische
Redevoering voor, in het jaar 1743, onder
den litel de terrae hahitahilis incremento. Het was
eene stoute hypothese, welke van de gedaante der aarde
bij de schepping uitging. Hij nam aan, dat de aarde
met water bedekt was, met uitzondering van een eenig
eiland, welks uitgestrektheid en hoogte boven de zee
toe liet, dat er alle klimaten op werden aangetroffen en
hetwelk door den Schepper voorzien was met de daartoe
behoorende organische wezens. Het water verdampte aliengs
, het drooge breidde zieh uit en de levende wezens
verspreidden zieh naderhand daarop. De wijde omvang
der hypothese veroorzaakteintusschen, dat zij buiten allen
invloed bleef op de vraag, wat zieh in Scandinavi'e
al dan niet voordeed.
Maar wanneer ook ’tg e en op den weg van bespiege-
ling gedaan w e rd , bydroeg om dit onderwerp in zwa-
righeden tewikkelen, zoo werd aan de andere zij de niets
verzuimd, het aan een onderzoek längs den weg der
waarneming te onderwerpen. Ce l s i u s was tot zyne
onderzoekingen geleid door het berigt van een’ ouden
visscher, ’t welk door andere visschers eenstemmigbeves-
tigd werd , dat de zoogenoemde skälgrunden zieh gedurende
zijn’ leeftijd hadden veranderd. Deze shälgrun