
het ligtst vaneen scheurde. De werking der hitte van
de uitgevloeide bergmassa op de naast onderliggende
bergsoorten, waarover zij zieh uitstortte, toont op eene
ontegenzeggelijke wijze, hoe het hierbij toeging en wij
kunnen zplks nabootsen, wanneer onveranderde deelen
van deze bergsoorten tot gloeihitte worden gebragt.
Sedert de aardschors eene zekere mate van dikte ver-
kreeg, heeft dit verschijnsel wel is waar opgehouden,
maar andere verschijnsels van gelijksoortigen aard duren
nog voort. De waarschijnlijkste gissing over de Vulkanen
is, dat zij openingen vormen, die tot de inwendige
gesmoltene massa der aarde ne^rdalen, welke het even-
wigtin drukking, bij het inzinken der aardschors hersteilem,
waarbij een gedeelte der gesmoltene massa door
dezelven wordt uitgeperst, maar waarbij zieh verschijn-
sels van geweldigen aard voegen, wanneer het water
gelegenheid heeft, tot de gesmoltene massa te komen en
er zieh in uit te störten. Al deze verschijnsels schijnen
alzoo met elkander in een noodzakelijk verband te staan.
Bedenken wij n u , wat er geschieden moet, wanneer
een door eene vaste schaal omgeven, gesmolten ligehaam,
waarop de schaal dunis in verhouding tot den diameter,
langzaam afkoelt en daardoor in omvang vermindert, zoo
b lijk t, dat de schaal door haar gewigt breken moet en
nedervallen , tot dat zij weder onmiddellijk op de gesmoltene
massa rust. Maar daar de schaal zieh gevormd heeft
om eene kern van voormaals grooteren omvang, zoo is
zij nu te wijd om op de verminderde kern te passen; zij
wordt rimpelig, gelijk de schil van eenen gedroogden
appel; zekere deelen heffen zieh hooger op, andere
zinken dieper naar beneden, bergruggen en meer of
min diepe dalen ontstaan. Hoe dikker de schaal wordt,
des te minder menigvuldig worden deze rimpels, en
des te minder wordt het verschil in hoogte en laagte,
terwijl groote stukken opgeheven en anderen daarentegen
nedergedrukl worden, zeer weinig, maar längs eene
veel grootere uitgestrektheid. Dit verschijnsel zal aldus
voortgaan; maar steeds afnemen, zoolang eene uitwen-
dige rimpeling van de vaste schaal, door de verkoeling
en inkrimping van het inwendige mogelijk is.
Hetis alzoo duidelijk, dat dewaargenomeneniveau-ver-
anderingen van het vasteland en de oppervlakte der zee,
van zoodanig eene oorzaak kunnen afhangen, en dat de
waarschijnlijkheid zeer groot is, dat het werkelijk aldus
daarmede gesteld is. Hoe dikwijls verkondigen niet on-
ze dagbladen , dat men in het eene of andere landschap
een onderaardsch gebulder gehoord heeft, van het zui-
den körnende en naar het noorden gaande, onder het-
welk, toen het de meeste kracht had , losse voorwerpen
in huizen en venslerruiten trilden, een geluid, het meest
gelijk aan d a t, hetwelk gevormd wordt door de scheu-
re n , die in Sterke winters op onze groote meren in het
ijs ontstaan. Niets is waarschijnlijker, dan dat het geluid
gevormd werd van eenen der bersten in de gestolde
aardkorst, die voortliep in de rigting, welke de komst
en de verdwijning van het geluid aangaf. Op de pools-
hoogte, waaronder wij wonen,- is de aardkorst te diep
gestold om ons anders, dan slechts met het geluid van
hare bersten te verontrusten. Anders is het gelegen digt
bij de grenzen des evenaars, waaromtrent ons de dagbladen
in deze dagen een nieuw ontzettend bewijs gele-
verd hebben*).
Ik wensch thans de opmerkzaamheid onzer Geologen
te bepalen op eenige gedenkteekenen van den tijd , toen
een gedeelte van ons vastland zeebodem was. In den
naasten omtrek der hoofdstad vindt men op eenen körten
afstand, noord-oostwaarts van de kerk van Solna , vlak
1) De aardbeving op Haiti, 7 Hei 1842.