
weste» i» eene allengs toenemende zinking overgaat,
waarbij de zee meer en meer van het läge land wegneemt.
Hij heeft getoond, dat op den bodem der zee, tusschen
100 of 200 voeten van land en twee voet diep een veen-
grond voorkomt, waarin stammen van verscheidene, van
de in Schonen in het wild groeijende boomsoorten inge-
zonken zijn en noten van beuken en hazelnotenbooraen
aangetroffen worden. Bij opgravingen in Trellehorg heeft
men op verschillende plaatsen met steen aangelegde stra-
ten gevonden, drie voet diep onder den grond, welke
thans volkomen in niveau zijn met de waterhoogte in de
Oostzee. Liwraeus hadden afstand gemeten , tusschen
een groot steenblok, S ta fsten genoemd en de zee. Zeven
en tachtig jaren later werd deze afstand gemeten door
den Heer s h s s o h , welke dien met niet minder dan 380
voet verkort vond, een verschil, welks groolheid alle
verdenking vernietigt, dat het een gevolg van de mindere
naauwkeurigheid van eene der beide metingen zijn
zou. Voegtmen nu hierbij’t geen Prof. kei l hau berigt
in zijne reize naar de kusten der IJsze e en naar het Bee-
ren-eiland, aangaande de schielijker voortgaande verhoo-
ging van de noordelijkste kusten van ons vastland , dan
blijkt, dat de Scandinavische bodem zieh in hetnoorden
het sterkst en vervolgens minder en minder opheft, en
dat deze oprijzing naar de noordelijke grens van Schonen
toe geheel ophoudt en zuidwaarts daarvan in eene
nederzinking overgaat. Zoo ver men kan oordeelen uit
de waarnemingen, die sedert eene eeuw op de ooslkust
van Scandinavi'e gemaakt zijn, geschiedt deze opheffing
gelijkmatig; maar op de noordwestelijke kust toonen zieh
op verschillende plaatsen, boven elkander evenwijdig
loopende aanduidingen van een vroeger strand, welke
schijnen te sprekenvoor sterkere opheffingen in den voor-
tijd, die op eens plaats hadden en met längere tusschen-
poozen op elkander volgden, Of de opheffing van het
zuiden naar het noorden gelijkmatig toeneeml, dan of
zekere zuidelijker plaatsen hooger opgerezen zijn, dan
enkele meer noordelijke, en de opheffing alzoo eeniger-
mate golfvormig is, kan niet als uitgemaakt beschouwd
worden. De kustbewoners rondom de Oostzee besluiten
zulks wel uit hunne opmerkingen en zulks schijnt te
volgenuit de waarneming der uitgehouwen merkteekens,
van welke echter het getuigenis, om reeds opgegevene
gronden, niet onbetwistbaar is.
Sedert de verandering van niveau aangetoond is , ont-
staat de natuurlijke vraag : welke kan de oorzaak van
dit verschijnsel wezen ?
De vermindering van het water, hoezeer voorgestaan
door g o t t s c h a l k w a l l e r i u s , die beweerde, dat
alle onze bergen in het water gevormd waren, eene
Stelling, welke later den grondslag uitmaakte van het
geologisch stelsel van w e r w e r , blijkt weldra volkomen
ongegrond te zijn; want , wanneer men ook hare theoretische
onmogelijkheid daar laat, zoo zou, wanneer zij
plaats had , alles wat op 6£n strand geschiedt, gelgkvor-
mig op alle stranden moeten gebeuren, ’t geen wij niet
eens aan de kusten der Oostzee zien plaats hebben, en
wij kennen aan de kusten der Atlantische zee havens,
die reeds voor 2000 jaren daartoe gediend hebben, en
waar alzoo de betrekkelijke stand van de land- en wa-
tervlakte geene merkbare veranderingen ondergaan heeft.
L e o p o l d v o w b u c h , die in de jaren 1806 en 1807
eene geologische reis door Zweden en Noorwegen maak-
te , sprak in zijne Reisbeschrijving het woord tot oplos-
sing van dit raadsel uit *), de kust van Zweden heft
zieh allengs over de oppervlakte der zee op. Het is mij
des te aangenamer, aan deze juiste opvatting van den
toen nog jongen Geoloog te herinneren, daar wg in het
1) V o n B u c h ’ s Reise durch Norwegen u, Lappland, I. 442. II. 278.