
gestoofde zeekreeften en ansjovis. Hier zagen wij voor
de eerste maal het Knäckenbröd, eene soort van harde
korsten, dun en taai als parkement, die men brood ge-
lieft te noemen. Wij vonden dat brood sedert overal.
Wij waren hier genoodzaakt ons paspoort te laten vise-
ren , en werden daarvoor in het Gouvernementshuis lang
opgehouden. Hier ontmoetten wij eenen beambte , die
noch van Hoogduitsch, noch van Fransch, noch van
Engelsch iets verstond, ’t geen ons in eene koopstad ,
gelijk Gothenburg, vreemd voorkwam.
Gothenburg telt omstreeks twintigduizend inwoners
en is na Stokholm de grootste stad van Zweden. Deze,
stad werd in 1618 door g u s t a a f a d o l f gesticht. Vele
Hollanders vestigden zieh h ie r, en de stad heeft ook
met hare grachten en boomen een zeker Hollandsch ka-
rakter. Er was op de groote markt (Stora Torg) veel
gedrang van landlieden, die met hunne lompe wagens,
met kleine paarden bespannen, boter en veldvruchten
ten verkoop naar de stad hadden gebragt. He Zweedsche
boerenvrouwen dragen bijkans alien een’ veelal rood-
bonten doek ora bet hoofd, die van achteren in een punt
nederhangt en onder de kin is vastgeknoopt.
Ik bragt den middag met den Heer j o h u s t o h door
bij zijnen bankier B ., waar wij ter maaltijd waren uit-
genoodigd. Ik had hier gelegenheid de Zweedsche ge-
bruiken eenigzins te leeren kennen, hoezeer dezelve,
daar onze gastheer een geboren Engelscliman was, niet
geheel zuiver waren van Engelsche inmengsels. De Brit-
sche Consul, die met ons het middagmaal nam, was een
groot vriend der oude klassieke litte ratuur, en zeer met
de Hollandsche geleerden ingenomen; hij beschuldigde
daarentegen de Zweden, dal zij in dezen tijd die Studien
bijkans geheel verwaarloosden. In de eetkamer stond,in
een’ hoek aan het venster, een klein gedekt tafeltjemet
brood, bote r,kaas, ansjovis eneenekaraf anisette, waarvan
het gebruik wilde, dat men iets nuttigde, v66r raen
zieh aantafel zette. Onder het maal werd ons ook Sma-
d r ic k a , een dun bitter b ie r, aangeboden.
’s Anderendaags vertrokken wij ’s morgens om 5 ure
met de stoomboot Daniel Thunberg van Gothenburg
naar Stokholm. Deze sloomboolen voor de vaart op een
kanaal, ’t geen vele sluizen heeft, zijn smal en hebben
weinig ruimte voor de reizigers. Het achtereinde van het
schip heeft, in plaats van eene groote kajuit, aan weers-
ziiden vijf kleine hokjes, niet ongelijk aan de roeven
onzer trekschuiten, elk met twee smalle rustbanken
en een daar tusschen geplaatst tafeltje. Een smalle
g a n g loopt tusschen die kamertjes d o o r, en , daar de
deuren zieh naar buiten openen, is hier de doortogt
dikwerf gestremd. De voorkajuit dient tot eetkamer en
heeft de keuken achter zieh; met een’ steilen, smalleri
trap klimt men daarin neder; maar de ondragelijke en
verpeste lu cht, die er in heerschte, deed er ons nooit
langer in vertoeven dan volstrekt noodig was, en dikwgto
reeds v66r het eten allen eetlust verliezen. Ook dient deze
kajuit ’s nachts tot slaapplaats voor hen, die geene af-
zonderlijke kooi (Aoje) hebben kunnen bekomen, of die
zieh om de mindere kosten daarmede willen vergenoegen.
Behalve de banken aan den wand, dienen dan hangmatten
tot berging, en alzoo wordt in deze kleine ruimte
des nachts een hoogst mogelijk getal van menschen op-
eengepakt; terwijl men naauwelijks ruimte heeft, om,
zonder zijnen buurman te slooten, zieh te kleeden en
ontkleeden. Bij goed weder kan men over dag op hetdek
blijven; maar wanneer het weder siecht is, moet men
zieh wel in zijne cel opsluiten. Daarenboven is het dek
slechts voor een gering gedeelte ter bewandeling geschikt;
w a n t, daar de ketel der machine met hout gestookt wordt,
neemt de daartoe noodige brandstof er de grootste ruimte
van in. Voeg hier eindelijk bij , dat de keuken siecht