
algemeen toen in Zweden nog ver af waren van deze
verklaringte vermoeden. Het denkbeeid van de opheffing
des lands werd, zoo ver mij bekend is , het eerst uitge-
sproken door a u t . l a z z . m o r o in 1740, in eene
verhandeling over versteeningen van zeedieren , gevonden
in de berglagen van hei: vasteland. Het maakte den
grondtrek uit van h u t t o n ’ s plutonische geologie, en
p l a y f a i r had reeds in 1802, in zijne ontvouwing van
h d t t o ir’s le e r, de gissing geuit, dat het in Scandinavie
vermelde verschijnsel van watervermiudering op deze
wgze verklaard kon worden.
De opmerkzaamheid op de opheffing van de Scandina-
vische kust issedertmeer algemeen in Europa opgewekt,
door het bezoek van den Engelschen Geoloog l y e l l ,
alhier in het jaar 1834 en zijne daarover aan de Ko-
ninklijke Societeit te Londen ingeleverde waarnemingen.
L y e l l behoorde tot de Geologen, welke aan de waar-
heid van de opgegevene niveau - verandering twijfel voe-
den; hij kwam herwaarts om daar zelf onderzoek naar te
doen en dit onderzoek roeide allen twijfel bij hem uit.
Hetissedert gebleken, dat opheffing en nederzinkingvan
het land in betrekking tot de oppervlakte der zee, een over
den geheelen aardbol algemeen voorkomend verschijnsel is,
en dat de gewesten, waar niets dergelijks plaats vindt, ver-
gelijkender wijze, slechts weinig zijn. In E n g eland heeft
men de meest afdoende bewijzen ontdekt, dat ookdit land
allengs opgeheven wordt, hoezeer in veel minderen graad
dan Scandinavie. E n g e land heeft, even als Scandinavie,
zijne banken van schelpen, gevormd door thans in de
Noordzee levende soorten, en liggende verscheidene voe-
ten boven de zee, en onlangs vond men in zulk eene
bank het geraamte eens menschen, zoo opgevuld en
omgeven van schelpen, dat het duidelijk was, dat hij
daar niet begraven werd, maar dat het overblijfsels waren
van eenen mensch, die daarin verdronken was,
toen de zee daar nog boven stond en wiens beenderen
naderhand door den bodem der zee omgeven en met
de schalen harer schelpdieren bedekt werden. Dat E n g e land';
opheffing niet vroeger een onderwerp van opmerkzaamheid
was, hoezeer de geologie aldaar gedurende
eene halve eeuw meer algemeen bearbeid werd dan in
eenig ander land, is ongetwijfeld een gevolg van de ge-
stadige niveau-verandering der zee door eb en vloed
rondom deszelfs stranden, terwijl daarentegen dit ver-
schijnsel rondom de Zweedsche kusten zieh niet vertoont.
Maar, vragen wg , welke kan die kracht zijn , welke
gedurende een lang verloop van eeuwen op deze wijze
verscheidene duizende vierkante mijlen lands met zgne
geborgten vermag op teheffen? Hoelang zal deze kracht
voortgaan te werken? Wanneer zg eenmaal ophoudt, zal
dan het opgehevene land niet weder nederzinken tot het
lagere niveau, van waar het is opgerezen?
Deze vragen kunnen alleen bij gissing beantwoord
worden. Voor diegenen onder U, M. H. H.! welke de
geologie niet tot het onderwerp hunner onderzoekingen
gemaakt hebben , zal ik aanvoeren, wat wg uit een geologisch
standpunt vermoeden kunnen, daarvan de oor-
zaak te zgn geweest.
Eene groote menigte proeven ten einde de temperaluur
des aardbols op verschillende diepte uit te vorschen,
heeft het eenstemmige resullaat geleverd, dat de aard-
lagen en bergen des te warmer worden, hoe meer men
in de diepte doordringt, en dat voor de diepte, tot welke
men in de schors der aarde heeft kunnen doordringen,
de temperatuur met een’ graad voor elke honderd vaet
toeneemt. Zulks is het geval zelfs in de onder den pool-
cirkel liggende landen. De temperatuur der aarde op
hare oppervlakte is daar meerdere graden onder het
vriespunt des waters. Wanneer men daar in den grond
nederdaalt, vindt men dat de temperatuur valt tot een