
lijke der huizen is echter onaanzienlijk, en de straten zijn
slecht geplaveid. Schoon is hare ligging aan eene bogt
der Oostzee (das Kieler Fiord genoemd). Heuvelig en
schaduwrijk zijn de wandelingen, met prächtige oude olmen
en fraaije landhuizen. Eenschoon badhuis ligt aan den oever.
Den volgenden dag vertrok ik ’s namiddags ten twee ure
met de stoomboot Christiaan den achtsten naar Koppen-
hagen. Het was eene zeer schoone Engelsche stoomboot
van honderd-en-tachtig paardenkracht, met eene zeer
mime en elegante kajuit. Ons gezelschap was ta lrijk, en
er was op het dek veel leven, heen en weer loopen en
gedrang. In ons gezelschap waren ook de Professoren
g r i s e b a c h uit G öttingen, en j o d h s t o s , een chemist
uit Durham. De laatste ging mede naar devergade-
rine te S to k h o lm ; de eerste wilde O ^ eene botanische reis
naar het noorden m aken, en de Noorweegsche gebergten,
Dovre F je ld , bezoeken. Weldra verdween aan onze linkerhand
de Holsteinsche kust voor ons oog; tusschen de
vlakke eilanden Fernem en Daland kwamen wij laat in
den avond. Dat wij het steile krijtgebergte van het rots-
achtige eiland Möen ’s nachts voorbijvoeren , toen ik sliep,
en dat ik dus dit schoone schouwspel, waarvan mijne
reisgenooten mij zoo veel verhaald hadden , miste , was
voor mij eene ware teleurstelling. ’s Anderen daags kwamen
wij, vroeg in den morgen, te Koppenhagen aan. Daar*
deze stad laag en vlak ligt en geene hooge torens heefl,
vertoont zij zieh niet imposant bij het inkomen.
Aan het tolkanloor had men, zoodra ik gezegd h ad, dat
ik naar Stokholm reisde om de vergadering bij te wonen,
slecht zeer vlugtig mijnen koffer doorzien. Het was de
uitdrukkelijke begeerte der regering geweest, dat inen
de derwaarts reizende geleerden met geene formaliteiten
zou lästig vallen. Door ruime straten wandelde ik naar
mijn logement op de Kongens nye T o rv , het Hotel d'A n g
le t err e.
Prof. j o h s s t o s begeleidde mij naar den beroemden
o e r s t e d , dien wij midden onder zijne boeken als be-
graven vonden, en in groote drukte voor zijn vertrek
naar Stokholm. Hij ontving ons echter buitengemeen
vriendelijk. De Koning van Denemarken had ten dienste
der Denen , die de vergadering te Stokholm wenschten
bij te wonen, een stoomvaartuigvan ’sRijks marine, de
ñ e c la , beschikbaar gesteld , zeer ruim en schoon ingerigt
en van twee honderd paardenkracht. Prof. e s g h r i c h t
had mij vroeger geschreven, dat i k , de vergadering te
Stojtholm willende bijwonen, over Koppenhagen komen
moest, en dat er alsdan wel gelegenheid zou zjjn, met
die stoomboot mede te kunnen vertrekken. Hetzelfde
wenschte ook j o h n s t o n . O e r s t e d , die mede in de
commissie was tot regeling der re is , verwees ons naar
e s g h r i c h t . Dezen vonden wij in drokke beslomme-
r in g , om alles voor den togt van morgen te regelen.
Hij scheen met de zaak van de Deensche stoomboot verlegen
, en betuigde zijne spijt, dat ik zijnen brief niet
beantwoord had ; het was op de b oot, zeide h ij, zeer vol;
hij wilde echter alles doen, om o n s , zoo mogelijk, nog
plaats te verschaffen. Voor de terugreis kon hij ons zeker
plaats beloven, daar velfen in Stokholm bleven of hunne
terugreis anders namen. J o h n s t o n was hierover blijk-
baar ontevreden, en raadde mij a a n , dat wij liever door
het Götha-kanaal naar Stokholm zouden gaan. In allen
gevalle wilde ik mij van dezen geestrijken reisgenoot, in
wiens omgang de overige dag op den overtogt van Kiel
naar Koppenhagen was weggevloden , niet scheiden.
Het eerste, wat ik daarop in Koppenhagen ging be-
zigtigen, was de Lieve Vrouvoekerk [Fruenkirke) , ge-
sierd met de marmeren beeiden van C h r i s t u s e n d e
twaalf Apostelen, door t h o r w a l d s e n ’s meesterhand
gebeiteld. Zij ligt in het westelijke gedeelte der stad, en
werd in 1811 opgerigt op dezelfde plaats, waar eene