
zeker maxiraum, b. v. 5 of 6 graden onder nul ; daaron-
der stijgtzij, komt tot 0° en, nog dieper , stijgt zij sleeds
al meer en raeer daar boven. Deze hoogere temperatuur
in het binnenste der aarde kan niet van buiten of van
de oppervlakte komen : want deze kan niet raeer geven,
dan zij zelve heeft. Zij moet alzoo berusten op eene toe-
neming van wärmte, welke van binnen uitgaat. Wanneer
dan de temperatuur voortgaat, gelijkmatig met eenen
graad op lOOvoet toe te nemen, zoo is het ligt le bere-
kenen, dat op eenen zekeren afstand van de oppervlakte,
de massa der aarde gloeyend zijn kan, en op eenen nog
grooteren, volkomen door gloeihitte gesmolten, waar-
uit volgt, dat de aardbol voor het grootste gedeelte ge-
vormd kan zijn uit eene gesmoltene massa, van buiten
omgeven door eene gestolde korst van eenige geographische
mijlen dikte.
Yragen wij of zulks ook werkelijk het geval zij, dan
kan daarop geen ander antwoord gegeven worden, dan
dal alle omstandigheden daarop schijnen te duiden, dat
zulks waarlijk zoo is. Maar de omstandigheid, dat de
temperatuur der aarde naar beneden, of liever naar
binnen toe, aangroeit, geeft toch eenen toereikenden
grond voor eene berekening van het hoogste punt dezer
temperatuur of voor den stand van de oppervlakte, waar
zulks bereikt wordt. Wij weten, dat de aarde geenen
volraaakten bolvorm heeft, maar eene sphaeroi'dische ge-
daante, afgeplat naar de polen, en dat deze afplatting
volkomen beantwoordt aan eene zoodanige o als het og evolgo
moesl zijn van de snelheid, waarmede zij om hare as
wentelt. Dit veronderstelt dat, toen deze wenteling om
de as hären aanvang nam, de aardbol vloeijende moet
geweest zijn: want eene vaste massa had door deze kracht
geene zoo regelmatige gedaante-verandering kunnen on-
dergaan. Maaris eenmaal de verbazend groote massa des
aardbols vloeibaar geweest, zoo kan een groot gedeelte
%
daarvan zulks nog wezen, terwijl de oppervlakte door
de uitstraling der wärmte in deruimte, naderhand stolde
en voortgaat door dezelfde oorzaak dieper en dieper
te Stollen, hoewel met verminderenden voorlgang naar
mate het gestolde in dikte toeneemt. Maar wanneer zulks
het geval was, zoo moesten de poolstreken, die thans
zoo afgekoeld en met ijs bedekt zijn, dat alle leven daaruit
gebannen is, de eerste geweest zijn , waar de temperatuur
zoo zeer daalde, dat zij het verblijf van levende wezens
konden worden ; en dat zij zulks eenmaal waren , daarvan
getuigen de steenkoollagen van Spitsbergen met hare
overblyfsels van tropische gewassen. Naar gelang der
voortgaande afkoeling des aardbols, moest ook zijn diameter
in dezelfde male verminderen, zekerlijk eene zeer
geringe breuk van deszelfs grootte, maar toch zeer veel,
wanneer de vermindering in voeten gemeten wordt. De
gestolde korst moest dus springen en instorten, en daar-
door een gedeelte der gesmolten massa opgedrukt worden
naar de spleten , tot dat het evenwigt hersteld was. Daar
in den voortijd de schors vergelijkender wijze dun was,
moet zulks dikwerf hebben plaats gehad en al de onder-
zochte landen des aardbols dragen daarvan de veelvuldig-
ste blijken. Deze toen uitgeperste en snel verkoelde en
gestolde massa’s hebben meestal, hoezeer in zamenstel
met de overige schors overeenkomende, een geheel ander
voorkomen, een gevolg van deze veel schielijker stol-
ling. Scandinavie heeftvele overblijfsels daarvan, vooral
Noorwegen, hoewel zij ook in Zweden niet ontbreken.
Bij Hunneberg ligt eene geheele vierkante mijl met zulk
eene bergsoort bedekt, die in gesmolten toestand uit-
gedrongen en rondom uitgevloeid is; Halleberg, B illin -
gen, K in n e ku lle , de porfierberg in E l f dal enz. zijn van
denzelfden aard. Zij liggen alle op dus genoemde over-
gangsbergen, gevormd op de toen en ten deele nog thans
laagste plaatsen, waar de aardschors het dunst was en