
te handelen in hei ruime veld van onderzoek , omgeven
door geleerden, die hun geheele leven aan de weten-
schap toewijden! Hoe zeer gevoelt men de waarde van
echte beschaving in het dagelijksch verkeer met edele
mannen, even achtingwaardig door hunne uitgebreide
kennis als beminnelyk door hunnen eenvoudigen zin en
door hunnen opgewekten geest! Hoe vereerend is het
tevens voor den geest des tijds, datgrootenen geringen,
jongen en ouden zieh als om strijd beyveren, omhetfeest
der wetenschap als een algemeen feest der menschheid
te beschouwen, en door deelneming en vreugdebetooning
van allerlei aard den van alle kanten bijeengekomen
vreemden te toonen, op hoe hoogen prys zij de onder-
scheiding stellen , die hunne stad door de keuze der ver-
gadering te beurt viel!
Welkom was my dus ook, het vorige jaar, deuitnoodi-
g in g , die ik ontving, tot het bijwonen eener vergadering
te S to k h o lm , waarvan b e r z e l i t j s Voorzitler en r e t -
z iu s Secretaris zyn zouden. Het Noorden trok my sedert
lang tot zieh, en , hoezeer eene zeer gebrekkige en on-
voldoende kennis der Noordsche talen my verhinderen
zou de opentlyke voorlezingen geheel te volgen, meende
ik echter, dat bijzondere omgang en heusche inlichling
hierin veel zou kunnen verhelpen, en dat deze reis niet
onvruchtbaar voor mijne vorming wezen zou.
’s Avonds van den 1 Julij ging ik van Am s te rd am ,
aan boord van de stoomboot, naar Hamburg, Het weder
was vrij ruw geweest, en ’s middags om twee ure hadden
wij te Amsterdam een’ vliegenden storm uit het noorden
gehad met veel regen. Dit voorspelde voor den togt niet
veelgoeds. Ik ging spoedig ter rust in mijn enge bed,
waarin ik niet zonder inspanning geklommen was, en waar-
in ik my niet kon uitstrekken , noch ook regtop overeind
zitten , zonder mijn hoofd tegen de zoldering te stooten.
Slapen kon ik op de harde matras niet veel, vooral niet
in de benaauwde lucht en terwijl de gol ven hard tegen
ons schip sloegen. Den 2 Julij waren wij in de Zuiderzee
en ’s namiddags kwamen wij iu de Noordzee, Ter-
schelling omvarende. Aan verveling ontbrak het niet ;
daarbij kwam, dat de demon der zeeziekte, die mÿ op
eene reis naar E n g eland in 1840 zoo genadig ver-
schoond h ad , mÿ thans ook, hoezeer slechts voorbÿ-
gaande, pijnigde.
Schoon is het binnenkomen der Elbe ; de Holsteinsche
kust vertoont zieh met heuvelen en bevallige huizen ge-
sierd bij Blankenese. Den 3 Julij ’s avonds om 6 ure
kwamen wij te Hamburg aan. « Welk een gezigt, toen
wij de stad doorreden! Ik had met eenen reisgenoot,
den Heer b e h rm a n n , Directeur van het Doofstommen-
Instituut te H am b u rg , een drosehke genomen, en door-
reed nu met hem de verwoeste 6tad, om in s t r e i t ’s
hôtel bÿ de Ju n g fe rn stieg eene kamer te zoeken. Van
de haven tot de binnen-Alster doorreden wij derhalvede
stad bijkans in dezelfde rig tin g , die de brand genomen
heeft. Geheele straten zijn vermeid; slechts hier en daar
Staat nog een post van eene d e u r, een steenen tr a p , een
enkele m u u r, maar anders niet dan links en regts puin-
hoopen, de overblÿfsels der fundamenten en de kelders.
Als een voorbeeld van den ongeloofelÿken spoed, waar-
mede de b ran d , toen zijne woede het hevigste was,
voortsnelde, verhaalde mÿ mÿn reisgenoot, dat hij door
een’ bewoner van een huis uitgenoodigd was, om op
diens zolder den brand te overzien, en dat hetzelfde
h u is, waar men zieh toen nog volkomen veilig waande,
vier uren later mede door den ^uurstroom verzwolgen
werd. Bij s t r e i t ’s hôtel was de brand iñ deze rigting
gestuit, en men had daartoe het voorste gedeelte van dat
gebouw in de lucht doen springen; het achterste gedeelte
was weder tot zijne bestemming ingerigt; längs eene
lange planken brug over het puin moest men tot hetzelve
1*