
V O O R B E R IGT .
Sedert verscheidene jdren heb ik mij benig gehouden met nasperingen over
de natuurlijke geschiedenis van het mensehélijk geslacht, en van tijd tot tijd
in .onderscheidene deelen van het Tijdschrift voor natuurlijke Geschiedenis en
Phyëiologie, hetwelk ik metmijnèn vriend, den Hoogleraar W. H. de Yriese ,
uitgeef ^ de ygachipn? van mipM Onferzoek^ medegedeeld. Het kwam mij; niet
ongepast-p<gpr deze v<mgpK;eide,-sf^pk^ f p verzamelen, hier en daar uit te breiden,
ZQOJveelt ik- kon fe verbeteren,, en m e t inij'ne latere ndsporingew vermeerderd
uit te geven.i Eene, eerste verzamelingx van dien aard geef ik thans in
het licht. Mezelve\b^reft den negerstammen behelst n ip tep k e l ’t geen in het
genoemde Tijdschrift re$dst vroeger het licht' sdg, maar ook iele ,• neg onuitgegeven
e bijvoegsels ^waaronder ik het jviprdc Hoofdstuk..en eèn groot gedeelte
'van hët vyfjué m oet opnoëmen. Ook voor \ de bezitters, van. het Tijdschrift vief
ik oo/c twee
der iMigevoesdonlaten thans voor het eerst het Heft, zien. Of ik op dezelve meer
der gelijke stukfien «fep andere ^ nysnschenstammen zal laten volgen.r kan ik
vooraf móejjeMjk, bepalen en zal ook ( gedeeltelijk afhangen van het onthaal
't geen h é t' tegenwoordige' stuk vinden zal I n dat geval za l een algemeene
tïtèivoör al dejstukken gegeven worden, doch. steeds zal elk stuk op zich zelve-
een gêheel uiimaken.
I k moet-nog opm erken, dat w aar hier en daar de opgegevètté afm etingen
«enigermate van mijne vroegere verschillen, zulks h e l gevolg is van later en
naauwkeuriger o'ndérzëek..
L e id e » , Septemhér 1842'.