
VEERTIG JAAR CULTUURBEVORDERING:
TEYLERS STICHTING 1778 - ± 1815
W.W. Mijnhardt
INLEIDING
De geschiedenis van de geleerde genootschappen in de
achttiende-eeuwse Republiek is altijd stiefmoederlijk behandeld.
De handboeken wijden er nauwelijks meer dan
enkele regels aan. De gedenkboeken van deze instellingen
bieden weliswaar meer, maar op een enkele uitzondering
na hebben deze publicaties een verhalend en anecdotisch
karakter*. Van een systematische behandeling van deze
genootschappen, maatschappijen of academies, zoals ze
door Fransen doorgaans worden genoemd, waarbij de
samenhang tussen structuur, samenstelling van het
ledenbestand en publicistische werkzaamheden tot zijn
recht komt, is tot op heden geen sprake geweestjÉlln
Frankrijk was de genootschappen tot voor kort eenzelfde
lot beschoren. Door toedoen van enkele historici die
ruwweg tot de richting van de Armales gerekend kunnen
worden, zijn deze academies de laatste tijd weer in ere
hersteld. Deze historici, deel uitmakend van de werkgroep
Livre et Société, vertonen de neiging de Verlichting
vooral als een sociaal fenomeen te beschouwen. Waar de
traditionele historiografie zich voornamelijk met de Ver-
lichtingsdenkbeelden zelf had beziggehouden, concentreren
zij zich op de sociale en geografische spreiding van
de verlichte mentaliteit3.
Een van de leden van deze groep, Daniël Roche, nam
enkele Franse provinciale academies als uitgangspunt van
onderzoek4. Hij analyseerde de publicaties van deze
genootschappen om de relatie met de Verlichting te
kunnen vaststellen. Dé sociale en geografische samenstelling
van het ledenbestand werden onderzocht om de
verspreiding van de door de genootschappen gehuldigde
opvattingen te kunnen meten. Het is duidelijk dat een
soortgelijk onderzoek naar de activiteiten en de samenstelling
van het ledenbestand van de in de Republiek
werkzame genootschappen een bijdrage zou kunnen
leveren aan de geschiedenis van de Verlichting in Nederland.
Teylers Stichting neemt echter door haar enigszins
afwijkende opzet een aparte plaats in onder de genoot-'
schappen in de Republiek. De Stichting hield niet alleen
twee genootschappen in stand, maar besteedde ook
aandacht aan de uitbreiding van de door Pieter Teyler
nagelaten collecties en de beoefening van liefdadigheid.
Bovendien was het ledenaantal van zowel Teylers Godgeleerd
als Teylers Tweede Genootschap statutair tot zgs
beperkt en waren beide wat betreft het uitschrijven van
prijsvragen en de aanvulling van het ledenbestand,
hiërarchisch ondergeschikt aan het Stichtingsbestuur.
Desondanks ligt de relatie met de andere genootschappen
voor de hand. Ook Teylers Stichting was een produkt
van de genootschapstraditie in de Republiek. Door haar
specifieke organisatie en ruimere doelstelling vormde ze
daarop slechts een bijzondere variant. Evenals voor de
andere genootschappen was het uitschrijven van prijsvragen
ook voor de twee genootschappen van Teyler de
belangrijkste bezigheid.
In het eerste gedeelte van mijn bijdrage heb ik een
schets trachten te geven van het verlichte klimaat in de
Republiek waarin de genootschapstraditie ontstond. Aangezien
de Verlichting in Nederland pas sinds kort weer in
de belangstelling staat, ontbreken vele noodzakelijke
voorstudies en is het nog moeilijk gesignaleerde opvattingen
met religieuze of sociale groepen te verbinden.
Dientengevolge maakt dit overzicht geen aanspraak op
volledigheid en draagt het een ietwat impressionistisch
karakter. Vervolgens komen enkele aspecten van de
genootschapstraditie in de Republiek en daarbuiten aan
de orde. Een onderzoek naar de activiteiten van Teylers
Stichting en de werkzaamheden yan de beide genootschappen
tot ± 1815 sluit het geheel af.
DE VERLICHTING IN NEDERLAND, EEN
CHRISTELIJKE VERLICHTING?
De geringe belangstelling Voor de achttiende-eeuw.se
genootschappen staat niet op zichzelf, maar vloeit voort
uit de traditionele benadering van dit tijdvak. De economische
en politieke achteruitgang van de Republiek in
deze periode had blijkbaar een verlammende invloed op
de Nederlandse historici. Met name aan de achttiende-
eeuws0 ®ultuurgeschiedenis werd weinig aandacht
besteed. Bovendien is in de historiografie het cultureel
verval een haast axiomatisch gegeven. In de Algemene
Geschiedenis der Nederlanden bijvoorbeeld moet de
eerste helft van de eeuw het zwaar ontgelden. Het verval
was toen reeds zo diep ingevreten dat zelfs begrippen als
decadentie en degeneratie niet meer van toepassing
waren: ‘[dit tijdvak] vertegenwoordigt in de geschiedenis
van de Nederlandse cultuurwet absolute Niets’3. Gezien
deze houding: behoeft het weinig verwondering "te
wekken dat het aanvankelijk vooral buitenlandse onderzoekers
geweest zijn die gewezen hebben op de belangrijke
bijdrage die de Republiek geleverd heeft aan dé
distributie van de Europese Verlichtingsideeën6. Het
initiatief voor een gewijzigde benadering ’ 'hebben de
Nederlandse historicifjjrotendeels aan anderen overgelaten.
Enkelejfhren terug publiceerde de hteratïÉrhistoricus
P.J. BuijnSters als eerste een stimulerende schets van de
Nederlandse Verlichting zonder deze in termen van
verval en achteruitgang-ïl verpakken’.
De invloed van de grote philosophes op het cultureel
klimaat in de Republiek is echter nog maar nauwelijks
onderzocht". De nadruk heeft >tot nu toe gelegen op de
persoonlijke ifeie van deze auteurs op de Republiek en op
hun contacten met de hier werkzame drukkers en uitgevers.
De betrekkelijke tolerantie en de gebrekkige organisatie
van de censuur, die reeds in de zeventiende eeuw als
gevolg van het flexibele karakter van de Nederlandse
constitutie nu eens per gewest, dan weer door de Staten-
Generaal werd geregeld6, hadden tot gevolg dat radicale
geschriften hier veel vrijer konden worden gepubliceerd
dan elders in Europa. Door van deze relatieve vrijheid van
drukpers gebruik te maken voor de produktie van boeken
die zich bezighielden met de vele Europese controverses
öp intellectueel gebied, leverden de Nederlandse boekhandelaren
een onmisbare bijdrage aan de verspreiding
van de Verlichting. Vooral Franse immigrantenfamilies,
die voor 1715 in grote golven naar de Republiek kwamen,
waren actief in het boekenvak. Het genre van weten-
I Schappelijke en politieke nieuwsbladen bloeide na 1685
eveneens in de Republiek. Ook hiervoor waren met name
Franse immigranten als bijvoorbeeld Bayle, Leclerc en
Rousset de Missy verantwoordelijk. Tot ver in de ac|gK
tiende eeuw werden deze bladen overal in Europa gelezen1".
De tolerantie had twee voorname oorzaken. Naast hel
I commerciële aspect was van overwegende betekenis dat
de religieuze staalkaart van de Republiek een beeld van
j grote verscheidenheid vertoonde. Er bestond een labiel
evenwicht tussen de verschillende groeperingen op religieus
gebied en dit evenwicht kon slechts door een betrekkelijke
tolerantie gehandhaafd blijven. Het rechtzinnig
calvinisme had ondanks de protestantisering, of beter de
calvinisering, niet in alle lagen van de bevolking even
sterk postgevat. De orthodoxe groepering, volgelingen
van Voetius, vond haar aanhangers vooral onder de
kleine burgerij. Deze speelde in het culturele leven geen
rol van betekenis. Een groot deel van de gegoede burgers
en de regenten, die vaak de Cocceiaanse richting waren
toegedaan, stond onder invloed van de tolerante libertijnse
traditie, die terugging op het humanisme van
Erasmus en Coornhert.
Het aantal gereformeerden (hervormden) heeft in de
achttiende eeuw trouwens nooit meer dan 55 a 60% van
de totale bevolking bedragen. De katholieken maakten
Omstreeks het midden van de eeuw nog 34 a 35% van de
bevolking -mt11. Door de geruisloze calvinisering van de
toplaag en het ingrijpend schisma van 1717 vond men de
katholieken, behalve onder de kooplieden, nog voornamelijk
bij de kleine burgerij en op het platteland12. Hun
contact met de verlichte stromingen was dientengevolge
gering13.
Anders was het gesteld met de dissenters. In de achttiende
eeuw, met name in de tweede helft, speelden zij
een leidende rol in het culturele leven. De remonstranten
en de linkervleugel van de doopsgezinden, de lamisten,
behoorden tot de meest vrijzinnige elementen in de
Republiek en genoten een grote mate van geloofsvrijheid.
Vanaf 1650 kwamen de doopsgezinden, vooral door
hun toenemende activiteit op het gebied van handel en
financiën, uit het isolement dat het leerstuk van de antithese
tussen kerk en staat hun voordien had opgelegd14.
Onder dit vrijzinnig denkend gedeelte van de bevolking
bestond er een open oog voor de ontwikkelingen op Europees
niveau. Het is nog moeilijk vast te stellen in hoeverre
de bij de vrijzinnigen levende opvattingen beïnvloed zijn
door eigen tradities en in hoeverre Europese Verlichtingsideeën
hierbij een rol gespeeld hebben. Het is echter
mijns inziens aannemelijker te veronderstellen dat de
hier reeds aanwezige vrijzinnige traditie een goede
voedingsbodem is geweest, dan er van uit te gaan dat de
ideeënwereld van deze vrijzinnige intellectuelen zelfs niet
enigermate het produkt van de Verlichting zou zijn
geweest16. Men nam hier van meet af aan kennis van de
nieuwe ontwikkelingen. De vele vertalingen van de philosophes.
vormen een duidelijke indicatie in die richting.
Ongetwijfeld maakten de ideeën van John Locke bij
deze groepen enige opgang. Deze ideeën waren grotendeels
in Nederland in contact met remonstranten als Van
Limborch en Leclerc geformuleerd en genoten mede
hun instemming16. Het is waarschijnlijk dat Locke’s opvattingen
over de verdraagzaamheid en zijn empirische
kennistheorieën konden worden geapprecieerd omdat ze
gebaseerd waren op een christelijk fundament. De theologische
implicaties van deze opvattingen hebben mogelijk
maar weinig kritiek uitgelokt, omdat Locke naast de
natuurlijke godsdienst de geopenbaarde een grote plaats